Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

« den onderlingen zamenhang van allen uit het oog « verlieze, en geene der schakels beleedige, welke het « geheel te zamen houden en verbinden (1)."

Mijne méening is aldus, en zal het steeds blijven, dat, ter bereiking van het ware doel, de bevordering der oogen-heelkunst en tot nut van het algemeen, de bevoegdheid tot de uiloefening en verrigting van belangrijke oogopera tien, niet dan na de aflegging van een bepaald Examen en onder eenen aangenomen Titel kan en behoort vergund of verleend te worden ; aangezien van de grondige en bekwame beoefening het geluk en de welvaart van zoo velen daaraan op het naauwst verbonden is.

Dat dan de zoo noodige naijver blijve heerschen, en diegenen, die zich daartoe bekwaam bevinden, met welwillendheid alle hunne pogingen aanwenden, om de oogen-geneeskunst te bevorderen, en steeds luisterlijker en nuttiger te maken, en alles bijdragen wat daartoe strekken kan. —

Ook moet men, wanneer men de oogen-geneeskunst in eere zal houden, en indien men op de bevordering der kunst ëenigen prijs wil stellen, niet alleen de kunst, maar ook derzelver beoefenaren voorstaan. — Over het geheel ook heeft men zich met hetgeen wij betoogd hebben, niet alleen vroeger vereenigd; men vergelijke hierbij hetgeen wij deswege Bladz. 1—30 hebben bijgebragt; maar ook nog blijft men met ons in dezelfde meening; en ten bewijze hiervan strekke daartoe

(1) Redevoering ter viering van het vijftigjarige bestaan van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten cn Wetenschappen, gehouden door Prof. Mr. van Goudoever op den 26slcn Junij 1824.

Sluiten