Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn, zonder dat het bicarbonaat wordt aangetast, dus zonder dat de echte alkalireserve verminderd is. Over dezen toestand is dus pas dan een oordeel te krijgen, wanneer de hoeveelheid Na' en Cl' bepaald worden (Straub, Gollwitzer-Meyer, Heilmeyer).

Ongetwijfeld geeft het bepalen van deze, wat men dan kati noemen „ionenbalans" inzicht in het zuurbasenevenwicht. Maar deze werkwijze licht ons nog niet voldoende in over het bufferingsvermogen van het bloed. Dit moeten we dus nagaan door het bloed met verschillende spanningen van C02 te verzadigen en by elke spanning na te gaan hoeveel C02 wordt gebonden, kortom het bepalen van de ltoolzuurbindingscurve. We komen hier later op terug, (Christiansen, Douglas, Haldane, Morawitz en Walker).

Wy willen thans de functie der verschillende organen met betrekking tot de reguleering van het zuurbasenevenwicht nagaan.

Het is in de eerste plaats de ademhaling, die het zuurbasenevenwicht binnen enge grenzen doet schommelen. We onderscheiden de uitwendige ademhaling, de uitwisseling van zuurstof en koolzuur tusschen alveolairlucht en bloed, en de inwendige ademhaling, de uitwisseling van zuurstof en koolzuur tusschen bloed en weefsels. Het bloedvaatstelsel is de verbindingsweg tusschen deze plaatsen. Hoe de zuurstof en het koolzuur getransporteerd worden en welke rol het haemoglobine hierbij speelt, dat hebben we reeds boven gezien. Het spreekt vanzelf, dat veranderingen van de ademhaling meer of minder koolzuurverlies van het lichaam teweeg zullen brengen en verschuivingen van het zuurbasenevenwicht hiervan het gevolg moeten zijn. Deze veranderingen van de ademhaling worden beheerscht door den toestand van het ademhalingscentrum, en het is zonder meer duidelijk, dat de functie van het ademhalingscentrum op haar beurt weer afhankelijk is van den toestand van het bloed. Over deze betrekking heeft men zich verschillende voorstellingen gemaakt, waarvan hier in het kort eenige der belangrijksten gememoreerd dienen te worden (ik ontleen daaromtrent het volgende aan P. B o y e r).

Haldane en Priestley toonden aan, dat reeds geringe

Sluiten