Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoogen kant ligt. Broun en Stoyanova vinden bij acidosis juist een stijging van het Ca-gehalte, zoowel van het totale kalkgehalte als van het ultrafiltrabele deel, terwijl het K daalt; bij alkalosis daarentegen een daling van het ultrafiltrabele Ca en een stijging van het ultrafiltrabele K. Een stijging van het Ca met daling van het K vindt ook H o f f bij acidosis, evenals H. Bernhardt. Hiermee in overeenstemming zijn de omgekeerde experimenten van D r e s e 1 en van Holló en Weiss, die na inspuiting intraveneus van KC1 den zuurgraad van het bloed zagen afnemen en na CaCl2 daarentegen zagen, toenemen.

We willen hieruit dus het volgende concludeeren:

De school van K r a u s, en voor allen S. G. Zondek, hebben een weg gewezen waarlangs men op den duur misschien tot een goed begrip van den samenhang, die tusschen tal van functies bestaat, zal kunnen komen, en die vóór hen hoogstens vaag vermoed werd. Vooralsnog bestaan echter té veel tegenstrijdigheden dan dat deze zaak als opgelost mag worden beschouwd.

Thans meen ik nog met een enkel woord de vraag te moeten aanstippen hoe men zich het correlatieve verband voorstelt tusschen de diverse factoren, dus het vraagstuk van de vegetatieve of neu.roregulatie.

Elk levend organisme streeft er steeds naar zich als een in zichzelf besloten eenheid tegenover de buitenwereld te handhaven. Hoe hooger de ontwikkeling van het organisme, hoe ingewikkelder zijn levensvorm, hoe gecompliceerder ook de mogelijkheden waarover het de beschikking heeft. Zoo heeft de mensch zijn ionale, zijn humorale, zijn hormonale en zijn neurale vermogens. Het altijd wisselend spel van acties en reacties, exogeen en endogeen, roept dynamische evenwichten te voorschijn, die relatief constant zijn, elk op een bepaald niveau liggen en zoo het individu zijn bestaan waarborgen, gelijk von Weizsacker het uitdrukt: „Selbststeuerung auf ein Funktionsniveau". Maar, voegt hij er dadelijk bij, deze „Selbststeuerung" moet tevens over een enorme variabiliteit beschikken, want anders zou het, voor het leven absoluut noodzakelijke, aanpassingsvermogen onmogelijk zijn. In pathologische omstandigheden kan men zich dan voorstellen, dat dit aanpassingsvermogen de oorzaak is, dat een zeker evenwicht

Sluiten