Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1 of 2 dagen overleefd. Eén stierf aan een perforatieperitonitis, die veroorzaakt was door een ascaris, die zijn kop door de oesophageale anastomose heen gestoken had, één aan pneumonie, één aan circulatiestoornissen in de tusschengeschakelde darmlis met embolieën en één aan perforatieperitonitis van de oesophageale stomp.

Van de 4 partieele continuiteitsplastieken (waarbij ongeveer de helft van de maag gereseceerd werd) hebben 2 den ingreep doorstaan (beide met een colontransversumlis), terwijl van de andere (1 meteen jejunum- en 1 met een colontransversumlis) de een aan circulatiestoornissen in de tusschengeschakelde lis met embolieën en de ander aan perforatieperitonitis tengevolge van insufficiëntie van den eindelingschen colonnaad stierf. De eerste twee hebben slechts kort geleefd; de één, bij wien de colonlis isoperistaltisch tusschen de beide maagstompen ingeschakeld was, slechts 13 dagen; de ander, waar dit antisoperistaltisch geschied was, 51 dagen.

Bij den eerste, die onder voortdurend braken succombeerde, werd de oorzaak hiervan bij de sectie duidelijk. Er was waarschijnlijk een dreigende perforatie geweest, de beide maagstompen waren tegen elkaar vastgekleefd en hadden de darmlis zóódanig afgeknikt, dat er zoo goed als niets door kon.

De tweede was volkomen gezond, at, dronk en defaeceerde normaal, maar werd alleen magerder. Een onderzoek naar het chemisme van de maag had ik niet ingesteld, omdat dit alleen bij eene totale maagplastiek van waarde zou geweest zijn.

Bij de sectie was niets te vinden, dat de dood kon verklaren, zoodat ik vermoed, dat hij aan de gevolgen van de omschakeling der darmlis tusschen de beide maagstompen te gronde is gegaan, hetgeen straks duidelijk zal worden bij de bespreking van de Gegenschaltungproeven.

Anatomisch vond ik hier eene verwijding van het aan den cardiakant gelegen einde van de colonlis, met retentie van haren, histologisch hypertrophie van de spierrokken van den colonwand aan de cardiale anastomose. Op de overgangsplaatsen van colonlis op pylorus en cardia zagen de doorsneden er juist uit als bij de vorige maagdarmplastieken, nl. een bindweefsellitteeken in alle lagen, behalve in het slijmvlies, terwijl in dit laatste een duidelijke grenszone te zien was van nieuw, meer of minder gedifferentieerd epitheel, dat deels van de maag-, deels van de darmmucosa afkomstig was, behalve in bovengenoemde holte.

Ook hier waren de mesocolonvaten niet geöblitereerd. De laatste

Sluiten