Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kamer; want zij komt alleen met deze hartafdeeling in aanraking. De gevolgen van dezen prikkel zouden wel autogene contracties van de linker kamer moeten zijn en deze hebben wij nooit als gevolg van de inbrenging der sonde opgemerkt.

Een andere mogelijkheid zon zijn, dat de door ons als narcoticum gebezigde chloralose de vagotonische werking der aconitine ophief. Wanneer dit inderdaad zoo was, zou de chloralose op zichzelf de polsfrequentie belangrijk moeten verhoogen, hetgeen evenwel niet het geval is.

Om over deze vragen zekerheid te verkrijgen, hebben wij bij een viertal honden de polsfrequentie na aconitineinjecties nagegaan zonder een sonde in het hart te brengen. Wij bepaalden eerst de frequentie bij oppervlakkige chloroformnarcose, dan 30 minuten na inspuiting van de benoodigde hoeveelheid chloraloseoplossing. Daarna werd in kleine doses (meestal 0.05 mg per keer) aconitine ingespoten, en 5 minuten na elke injectie de polsfrequentie opgenomen. Ook bij deze honden konden wij geen polsverlangzaming door de aconitine waarnemen ; wel zagen wij, evenals bij de andere honden, reeds na kleine doses polsversnelling optreden.

De chloralose bleek ons geen invloed op de polsfrequentie te hebben. Men moet er echter rekening mede houden, dat dit narcoticum door zijn slechte oplosbaarheid slechts verdund in een groote hoeveelheid physiologische zoutoplossing ingespoten kan worden. Daardoor is de pols eenige minuten een weinig frequenter, eer het hart zich aan deze grootere vloeistofhoeveelheid heeft geadapteerd.

Bij drie van de vier bovengenoemde honden hebben wij na aconitine-injectie den vagus electrisch geprikkeld.

Sluiten