Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

arterieele bloedsdrukking hooger is. Telkens nadat een groote pols is tot stand gekomen, is de bloedsdruk verhoogd; de volgende pols moet dus kleiner worden. Telkens nadat een kleine pols is tot stand gekomen, is de bloedsdruk verlaagd en de volgende pols moet dus noodzakelijker wijze weer grooter worden.

Onze figuur is geheel met deze verklaring in overeenstemming. Wij merkten boven reeds op, dat de arterieele bloedsdruk telkens bij het begin der kleinere polsen hooger is dan bij het begin der grootere, en dat verder het alterneeren der polsen sterker is geaccentueerd in het laatste deel der figuur, waar de polskromme ook inderdaad een algemeene stijging van den druk te zien geeft.

Bij bovenstaande beschouwing moeten nog twee omstandigheden in acht worden genomen. In de eerste plaats bedenke men, dat het door ons gebruikte kymographion niet vrij was van eigen bewegingen met dat gevolg, dat de toppen der polsgolven in de figuur belangrijk hooger reiken dan het niveau, dat met de werkelijk aanwezige drukkingen zou overeenkomen.

In de tweede plaats zijn, zooals wij reeds in hoofdstuk VIII hebben opgemerkt, de drukkingen in de aorta vlak bij het hart hooger dan die in een ver van het hart verwijderde arterie. De drukverschillen die in onze figuur tusschen het begin van een grooten en het begin van een kleinen pols aanwezig zijn, moeten in de aorta meer zijn geaccentueerd. En het zijn juist de aorta-drukkingen, die bij onze bovengegeven beschouwingen van waarde zijn.

Kahn en Starkenstein hebben bij hun studie over den pulsus alternans bij glyoxylzuurvergiftiging opgemerkt, hoe men een pulsus alternans tot oogen

Sluiten