is toegevoegd aan uw favorieten.

Over actiestroomen der retina bij bestraling met radium

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na het begin van de bestraling (A) treedt er allereerst een korte latente periode op, waarna een negatieve potentiaal (I) zich begint te doen gelden. Deze neemt geleidelijk toe in negatieve E.M.K. tot een zeker maximum, waarop hij gedurende de bestraling constant blijft om terstond bij het beëindigen van de bestraling (B) snel tot de waarde van den ruststroom terug te keeren. Na een iets langere latente periode dan die van I ontstaat er een positieve potentiaal II, die zeer snel tot zijn maximum stijgt, gedurende de bestraling constant blijft, om daarna slechts langzaam tot den oorspronkelijken stand terug te keeren. In het E.R.G. afgeleid van het oog, dat nog onder normale, gunstige condities verkeert, moeten de potentialen van de maxima dezer tegengesteld gerichte elementairstroomen ongeveer even groot zijn, omdat als de hier nog nader te beschrijven derde elementairstroom door middel van een kunstgreep niet optreedt, de snaar zich weer op het niveau van den gecompenseerden ruststroom plaatst, en niet daaronder of daarboven. Uit deze twee tegengestelde, maar ongeveer even sterke spanningen resulteert het eerste gedeelte van den werkelijken actiestroom, n.1. de negatieve voorslag, de initiaaltop en de „Senkung". Dit eigenaardige, snel van phase veranderende begin van den actiestroom is dus te verklaren doordat de elementairstroomen I en II een verschil in latentietijd en een verschil in snelheid van ontwikkeling hebben.Ook de na-top ontstaat doordat bij het einde van de bestraling (B) de elementairstroom I met een kortere latentie dan II en veel sneller dan deze tot de waarde van den ruststroom terugkeert. De derde elementairstroom (III) heeft een veel langere latente periode dan I en II, zoodat eerst tijdens de „Senkung" zijn invloed op het werkelijk verloop van den actiestroom tot uiting begint te komen.