is toegevoegd aan uw favorieten.

Handleiding der geneesmiddelenleer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ofcashoe) IX, 1. Anacardiaceae, welke in West-Indien groeit, veel looizuur, galnotenzuur, en een eigen zuur (anacardzuur), met gom en hars bevat en bij scheurbuikige aandoeningen gebezigd wordt.

§ 181.

KATECHU. CATECHU.

Gelijkb. naam. Terra Japonica.

Bot. afkomst. Het is een droog extract dat uit onderscheidene Oost-Indische planten bereid wordt; men onderscheidt drie hoofdsoorten.

a. Gambir catechu (Katagamba), uit de nauclea gambir of uncaria gambir V. 1. Rubiaceae, door uitdamping van het afkooksel der bladen bereid.

b. Betel-catechu van de areca catecliu XXI. 6. Arecineae, door uitdamping van het afkooksel der noten verkregen.

c. Cutch catechu van de acacia catechu XYI. 10. Mimoseae, waarvan verschillende verscheidenheden in den handel zijn.

Nat. eig. Gambir catechu n°. 446, acacia catechu n°. 445.

Bestandd. Catechu-looizuur, catechine, extractiefstof, gom , kalk, aluinaarde.

Phys. werking. Nagenoeg die van het looizuur, echter minder vermogend.

Geneesk. aanw.

Inwendig bij

a. Slepende zinkingachtige ontsteking der ademhalings-, geslachtsen piswerktuigen, met vermeerderden slijmvloed.

b. Slependen en lijdelijken buikloop.

c. Lijdelijke bloedingen en slijmvloeden.

Uitwendig bij

a. Slepende en lijdelijke mond- en keelslijmvliesontsteking,- als spoeling.

b. Pisbuis- en scheedeslijmvloed, als inspuiting.

Vorm en gifte. Imwendig in posder, pillen, koekjes of in