is toegevoegd aan uw favorieten.

Handleiding der geneesmiddelenleer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 291.

BIER. CEREVESIA.

Bereiding. Door gisting uit gekiemde granen (mout), vooral gerst of weit.

Bestandd. Wijngeest, koolstofzuur, azijnzuur, dextrine, suiker, eiwit, zwavelzuur, phospliorzure en salpeterzure kali, kalk, magnesia, enz., verder lupuline, vlugtige olie en hars.

Phys. werking. Voedend, opwekkend, de spijsvertering bevorderend.

Geneesk. aanw. bij

a. Zwakte, gedurende het herstellingstijdperk.

b. Bleekzucht met verminderde levenswerkdadigheid.

§ 292.

AETHYLOXYDE. OXYDUM AETHYLICDM.

Gelijkb. namen. Zwavelaether, aether sulphuricus, naptha vitrioli.

Bestandd. C4 Hl0 O.

Nat. eig. Het is eene kleurlooze, heldere, zeer dunne vloeistof, welke eene doordringende, eigenaardige scherpe reuk en eeuen brandenden, prikkelenden smaak heeft. Sp. gew. 0,725.

Phys. werking. Komt grootendeels met die van den wijngeest overéén, alleen is de verkoeling bij opdruppeling op de huid aanzienlijker. Over de bedwelmende of gevoeligheidverdoovende (anaesthetische) werking door den aether bij inademing van denzelven voortgebragt, zal later bij de chloroform gehandeld worden.

Geneesk. aanw. Inwendig bij

a. Maag- en darmkramppijnen.

b. Leverzenuwpijn bij galsteenen (met oleum terebithinae verbonden).

c. Bloedbederfkoorts met onderdrukte levenswerkdadigheid.

d. Asiatische braakloop in het verlammingstijdperk.

e. Elaauwten en halfzijdige hersenpijn.