is toegevoegd aan uw favorieten.

Over gewenning aan vergiften

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal dan het aantal parasieten, dat niet naar dit middel luistert, grooter en het effect der behandeling geringer moeten zijn. Deze voorstelling maakt ons meteen begrijpelijk, dat de arsenicumvastheid in de opvolgende generaties blijft bestaan.

Gaat men in de laatst vermelde gevallen de kwantitatieve verhoudingen na, dan blijkt de concentratie van het vergift slechts te kunnen worden opgevoerd tot enkele malen de oorspronkelijke, en soms, b.v. bij de onderzoekingen van Ehrlich, is de bepaling van de mate der arsenicum-vastheid onmogelijk door de inrichting der proeven, want als de hoeveelheid van het toegediende middel te groot wordt gemaakt, sterft de muis aan acute arsenicumvergiftiging.

Resumeerende mogen wij dus zeggen, dat wij sommige gevallen van immuniteit bij ééncellige wezens begrijpen, dat wij in andere gevallen eenig inzicht hebben, terwijl in weer andere de verklaring ons geheel ontsnapt. Bij de hoogere organismen is het verschijnsel nog veel moeilijker te doorgronden, behalve bij de zoogenaamde toxinen, heftig werkende vergiften, waarvan sommige van bacteriën, andere van dieren (b.v. slangen) of planten afkomstig zijn, en die vooral daardoor zijn gekenmerkt, dat het bloedserum der gewende dieren de eigenschap bezit om het vergift onwerkzaam te maken. Mengt men n.1. een hoeveelheid toxine, die de doodelijke dosis voor een bepaald dier eenige malen overtreft, met het bloedserum van een immuun gemaakt dier, dan blijkt dit mengsel onwerkzaam, ongiftig. De eenvoudigste voorstelling ter verklaring van dit feit is, dat in het bloedserum der gewende dieren een stof aanwezig is, die zich met de toxine bindt tot een in physiologischen zin neutraal, onwerkzaam lichaam, en waaraan men daarom den naam van antitoxine heeft gegeven.

De onvatbaarheid der immune dieren voor toxinen berust op deze eigenschap der bloedwei om toxine vast te leggen, zoodat deze geneutraliseerd is vóór zij de gevoelige cellen kan bereiken. Want wanneer bij de immune dieren het vergift onmiddellijk in aanraking wordt gebracht met de cellen, waarop het werkt, dus b.v. tetanustoxine wordt ingespoten in het centrale zenuwstelsel, dan breekt de tetanus even goed uit als bij een normaal dier ; de cellen, die het aangrijpingspunt van de werking der toxine zijn, zijn bij een immuun dier even vatbaar voor het vergift als die van een normaal dier, maar worden er tegen beschermd door de aanwezigheid der antitoxine.

Ook bij de antitoxische immuniteit onderscheidt het immune dier zich van het normale niet alleen door zijn ongevoeligheid