is toegevoegd aan uw favorieten.

Afstammings- en mutatie-leer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sommige erfelijke eigenschappen hebben, die beter zijn dan de onze, en die wij ons door geen onderwijs en geen opvoeding zullen eigen kunnen maken? Reeds vlrchow heeft het uitgesproken en Ammon heeft het door uitvoerige onderzoekingen bewezen: „Der Mensch ist ein Dauertypus"; hij blijft, wat zijn erfelijke eigenschappen, d. i. de gemiddelde aanleg en graad van ontwikkeling van het ras betreft, op dezelfde hoogte staan. Een langzame rasverbetering, dat ideaal van velen, die op den bodem van de theorie der onzichtbaar trage soortsverandering staan, komt noch met de mutatie-leer, noch ook met de ervaring overeen.

Hiermede komen wij aan een der belangrijkste trekken van de nieuwe leer, nl. de scherpe onderscheiding tusschen verschillende soorten van variabiliteit. Een halve eeuw geleden, toen darwin zijn Oorsprong der Soorten schreef, was dit begrip nog uiterst vaag. Wij hebben reeds gezien, dat wat men in den landbouw veranderlijkheid der soorten noemde, niet anders is dan een verscheidenheid van dooreengemengde vormen. Hoe grooter het aantal van die constante typen in een soort, des te grooter is haar zoogenoemde veranderlijkheid. Voert men haar uit één land in een ander in, dan verandert zij zeer sterk, verloopt soms, zooals men het noemt. Dat wil zeggen, dat sommige bestanddeelen onder het nieuwe klimaat zich sterk vermenigvuldigen, terwijl andere op den achtergrond treden of misschien zelfs verloren gaan. Maar de typen zeiven veranderen daarbij, zoover de ervaring reikt, niet. Noemen wij dit veranderlijkheid, dan gebruiken wij het woord, bewust of onbewust, in een bizondere beteekenis. Zoo is het algemeen bij het verloopen van variëteiten en ook bij het zoogenoemde fixeeren van nieuwigheden, dat meestal slechts in een zuivering van ongewenschte bijmengselen bestaat.

Een andere onderscheiding is die tusschen sprongsgewijze en continue veranderingen. Dat de individuen van eenzelfde soort onderling niet gelijk zijn, is algemeen bekend. Overal ziet men kleine, zoogenoemde individueele verschillen, zoowel bij menschen, als bij dieren en planten. Nu eens zijn zij groot, dan weer klein. Soms leidden zij tot bepaalde misvormingen of tot curiositeiten, zooals peperhuis-vormige bladeren en lintvormige stengels. Dan weer vonden zij in de richting van echte variëteiten plaats, b.v. waar men roode