is toegevoegd aan uw favorieten.

Handboek der physica en meteorologie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fig. 43.

stand terug. Indien de as gaat door het middelste gat c, dan volgt er ook nog wel evenwigt, maar een oogenblikkelijk (labiel) evenwigt, want zoodra het zwaartepunt slechts in het minste huiten de door c gaande loodlijn gevoerd wordt, keert het niet terug, maar het beschrijft eenen halven cirkel, totdat het aankomt in een punt hetwelk loodregt beneden het punt c is gelegen.

Deze resultaten kan men in algemeene bewoordingen op de navolgende wijze uitdrukken: Een ligchaam aan eene as opgehangen kan zich in standvastig (stabiel), oogenblikkelijk (labiel), of onveranderlijk (indifferent) evenwigt bevinden, al naarmate zijn zwaartepunt onder, boven of in de as gelegen is.

Laat ons nu onderzoeken, wat er gebeurt, wanneer eene schijf op een horizontaal of op een hellend vlak geplaatst wordt. Stellen wij dat de schijf, hetzij van hout, lood of iets anders, zoodanig vervaardigd zij, dat zijn zwaartepunt in den cirkel ab d (Fig. 43)

op behoorlijken atstand van het middelpunt te liggen komt. Hier kan slechts een standvastig of een oogenblikkelijk evenwigt bestaan; het stabiele evenwigt volgt, wanneer het zwaartepunt het diepst gelegene punt a van den cirkel ab d inneemt. Is het zwaartepunt in het hoogste punt b van dezen kring, dan hebben wij het geval van een labiel evenwigt.

Wanneer zulk eene schijf op een hellend vlak (Fig. 44) geplaatst wordt, dan volgt er evenwigt, wanneer het zwaartepunt ligt op

het verticale vlak p b, hetwelk men door de raaklijn kan trekken; stabiliteit van het evenwigt volgt er, wanneer het zwaartepunt in het meest naar onder gelegene punt a te liggen komt; labiel evenwigt, wanneer liet zich in het hoogste punt b bevindt.

Stellen wij, dat de schijf zich bevond in den stand van het labiele evenwigt, en slechts een weinig naar

de regterzijde werd voortbewogen, dan zal de schijf langs het hellend vlak naar boven stijgen, totdat de voorwaarde van het stabiele evenwigt weder vervuld is. Gedurende dit schijnbare opklimmen daalt het zwaartepunt echter onophoudelijk naar dieper gelegene punten.

Wanneer een ligchaam met eene meer of min breede basis op den grond rust, dan moet de loodlijn, welke door zijn zwaartepunt is getrokken geworden, binnen de basis vallen, opdat het ligchaam in evenwigt zij. Dienvolgens moet de schuinsche cilinder (Fig. 45) in evenwigt zijn, wanneer hij slechts de in de figuur voorgestelde lengte heeft, doch hij zou omvallen, wanneer hij eene zoodanige lengte had, dat zijn zwaartepunt in b te liggen kwam.

Fij. 44.