Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huid op de aangedane plaats zeer gemakkelijk in plooijen leggen ; wordt de doorzijging oanmerkelijker , zoo laat zich do huid wel is waar veel moeijelijker plooijen, maar men kan evenwel zeer spoedig opmerken, dat dezelve over het been heenschuift en volkomen bewegelijk is. Een be-*stendig verschijnsel is het koud worden van sommige deelen. Gewoonlijk worden de voeten het eerst koud; in do laatste dagen echter is de koude van het geheele ligchaam zoo groot, dat dezelve de voelbaar onaangenaam wordt , en dat een , aan de oppervlakte van het ligchaarn gehouden thermometer, slechts den warmtegraad van de kamer of een' nog lageren aantoont. Eenige waarnemers willen zelfs de mondholte in vele gevallen koud gevonden hebben. Dit gebrek aan natuurlijke warmte is zoo groot, dat de kinderen altijd wederom koud worden , wanneer men dezelve ook nog zoo zeer tracht te verwarmen.

Het met deze ziekte verbonden algemeen lijden , geeft zich duidelijk te kennen. De ademhaling is zeer moeijelijk ; hart- en polsslag worden steeds zwakker ; het zuigen en slikken geschiedt niet dan met de grootste inspanning ; de oogleden kunnen slechts onvolkomen geopend worden. Bovendien doet er zich stoornis der verrigtingen in alle deelen van het ligchaam, waar slechts celweefsel aanwezig is, voor; daardoor ontslaat, volgens billard , oedema pulmonum et laryngis, hetwelk zich door een moeijelijk, grillend en toch als een gesmoord geschrei verraadt. De darmontlasting en pislozing duren wel is waar voort, echter zeer spaarzaam. De dood volgt dikwijls reeds op den derden, in den regel bijna altijd op den 9d«» dag. In gelukkige gevallen wordt de ademhaling ligter en de bloedsomloop wordt sterker; het kind begint de oogen te openen , drinkt gaarne en de opzwelling verdwijnt allengskens. Eerst worden de oogleden en voorarmen dun , daarop de billen en de onderbuik , later de handen ; de beenen en voeten blijven somwijlen nog langen tijd opgezwollen , wanneer de overige deelen reeds in den gewonen toestand verkeeren. Duurt deze opzwelling der onderste ledematen langen tijd, zoo is dit een bewijs, dat de verrigtingen nog niet hunnen volledig normalen toestand bereikt hebben. De kinderen zijn dan gewoonlijk slaperig en nemen niet gaarne voedsel; valleis zag dezelve somwijlen gedurende 15—20 dagen een plantenleven leiden en dan toch sterven. Is de doorzijging verdwenen, zoo behouden de deelen nog een tijd hare violet kleur; de huid is slap, week cn rimpelig, en neemt eerst later haren normalen toestand aan.

Onder de zamenstellingen beschouwt baron de roos (belroos) als zeer ongunstig, daar op dezelve gewoonlijk koudvuur volgt.

Ten opzigte der diagnosis, merkt valleix op, dat de bedoelde kwaal zeer dikwijls met de zoogenaamde verharding des vetstofweefsels , welke gewoonlijk in de agoma der kinderen ontstaat, verwisseld is geworden, heide aandoeningen onderscheiden zich evenwel door de volgende kenteekenen : Bij de verharding van het vetstofweefsel, is de kleur van de huid niet violet, maar wit of geelachtig; men kan dezelve op de

Sluiten