Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het hoofdsymptoom is de vloeiing, eene aanhoudende vochtige afscheiding, die zich in den verschillendsten vorm en sterkte kan voordoen. Nu eens gaat het om eene matige vochtigheid, dan om een aanhoudend vloeien. Nu eens is de vloeiing waterig, dan taai en slijmerig, dan weder wit en melkachtig, of etterig. Gewoonlijk vertoont zich weldra jeuken en branden en de ingang der scheede zwelt sterk op. Bizonder hevig en hinderlijk is de etterige scheedecatarrhe tengevolge van gonorrhoe (druiper).

Het slijmvlies is in de meeste gevallen hoog rood gekleurd en gezwollen. Slechts bij oude vrouwen pleegt zich het tegendeel voor te doen, doordien het slijmvlies sterk verdunt en alleen bij vlekken eene roodheid vertoont. Over het algemeen wijkt na het te boven komen der overgangsjaren de catarrhe opmerkelijk af van die op jongeren leeftijd. Zij geeft geheel den indruk eener ouderdomsziekte, aangezien zij tot eene samenkleving van tegenover elkander liggende plaatsen van het slijmvlies leidt, die op haar beurt de reeds bij de overgangsjaren besproken verkorting en vernauwing der scheede tot gevolg heeft.

De duur eener scheedecatarrhe is meestal erg lang, aangezien de oorzaken dit eveneens zijn. Van bizondere hardnekkigheid is de druipercatarrhe. Zij trotseert de behandeling gedurende langen tijd en houdt men haar eindelijk voor genezen, dan is zij er plotseling weder. De oorzaak' ligt daarin, dat de gonococcen, de verwekkers van den druiper, in de diepe lagen van het slijmvlies nestelen en van daar uit steeds nieuwe smetstoffen voortbrengen, zonder dat men ze kan verwijderen.

Van een geheel ander en veel boosaardiger karakter is de ontsteking der scheede, zooals deze zich in het verloop van zware infectieziekten — pokken, roodvonk, typhus, cholera, diphteritis ■— ontwikkelen kan. Zij leidt tot eene branderige verwoesting van geheele deelen slijmvlies, die bij eene latere genezing met elkander vergroeien, en de scheede geheel ondoorlaatbaar kunnen maken. Er kunnen dan dezelfde gevolgen voor het periodieke wegvloeien van het bloed ontstaan, zooals deze boven bij de aangeboren afsluiting der scheede geschetst zijn.

Niet te verwarren met de scheedecatarrhe is het verlies van slijm, dat zich op normale wijze eenige dagen voor en na de maandstonden voordoet. Hier gaat het niet om een ontstekingsproces, maar om een voorbijgaanden toestand van prikkeling, die door de aanstaande rijpheid van het ei (zie menstruatie) veroorzaakt wordt.

Eene afzonderlijke plaats neemt de bekende vloeiing van bleekzuchtige personen in. Ook hier bestaat geene ontsteking, veeleer is zij als uitdrukking eener circulatiestoornis te beschouwen.

In alle gevallen beteekent eene aanhoudende vloeiing eene zware

Sluiten