Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Behalve de weeënpijn bestaat er nog barenspijn, die niet aan de weeën gebonden is. Deze ontstaat tengevolge van de rekking der zachte geboortewegen, door de drukking van het hoofd op den bodem van het bekken en bij de uittreding van het hoofd uit de opening der scheede. Ook de barenspijn hangt van de sterkte van den tegenstand af.

De ligging van het kind.

Van groot gewicht voor het verloop der baring is de ligging van het kind. Al naar gelang van het naar beneden gerichte gedeelte onderscheidt men schedel-, aangezichts-, stuit- en voetliggingen. Het meest komen de schedelliggingen voor, wier aantal 96 % bedraagt. Al deze liggingen worden als lengteliggingen samengevat. In tegenstelling hiermede staan de dwarsliggingen, waarbij het lichaam van het kind niet in de lengte, doch dwars in het bekken ligt. Elke dwarsligging is pathologisch en vereischt kunsthulp, daar een dwarsliggend kind niet op den natuurlijken weg geboren kan worden.

Het gunstigst zoowel voor de moeder als voor het kind zijn de schedelliggingen, minder gunstig de aangezichtsliggingen, ongunstig voor het kind de stuit- en voetliggingen. •

Het verloop der normale geboorte.

Reeds verscheiden weken voor de bevalling treden voorboden in de gedaante van voorspellende weeën op. Zij zijn gewoonlijk matig sterk, doch kunnen ook zoo hevig worden, dat de bevalling reeds dichtbij schijnt te zijn. Niettemin kunnen er nog dagen en weken verloopen.

Bij de baring kunnen drie hoofdtijdperken worden onderscheiden: het ontsluitingstijdperk van het begin tot de volkomen ontsluiting van den baarmoedermond, het uitdrijvingstijdperk, dat de geboorte van het kind omvat, en het tijdperk voor de nageboorte.

Het ontsluitingstijdperk heeft tot taak, het onderste gedeelte van de baarmoeder en den moedermond zoo te' verruimen, dat het hoofd van het kind er door treden kan. (Bij de beschrijving der normale geboorte is schedelligging als grondslag genomen.) Met de verruiming houdt de vorming van de zoogenaamde „vochtblaas" gelijken tred (z. afb.).

Door den druk der weeën namelijk wordt eene grootere hoeveelheid vruchtwater naar beneden gedreven, waar het zich in de reeds eenigszins losgelaten eivliezen verzamelt. De ei- of vochtblaas welft zich met iedere wee verder naar onderen en bevordert op deze wijze van boven af de verwijding van den baarmoederhals en den moedermond. Men noemt dit „de blaas vormt zich". In de weeënpauze wordt de blaas weder slap, totdat ten slotte het oogenblik komt, waarin zij

Sluiten