Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wand slap en atonisch is, zoodat de voortdrijvende kracht onvoldoende is, maar ook doordat aan den pylorus hinderpalen aanwezig zijn voor de passage van het voedsel. Deze belemmeringen kunnen zijn gelegen in de maag zelf of er buiten. Een typisch voorbeeld van de eerste mogelijkheid is de congenitale pylorospasmus der zuigelingen; andere vormen van deze pylorusstenose zijn de litteekenstenose na het . drinken van loog of andere bijtende vloeistoffen, of na genezing van een ulcus ventriculi. Als oorzaken van een pylorusstenose door een afwijking buiten de maag, noem ik de druk van een tumor (mesenteriaalklier) op de pylorus of op het begin van het duodenum en de afsnoering door een litteekenstrerig, die van een peritonitis is overgebleven.

De verschijnselen van onvoldoende ontlediging van de maag zijn tot een afgerond ziektebeeld samen te vatten. Onder de verschijnselen is een gevoel van volheid en benauwdheid in de maagstreek, af en toe afgewisseld door vrij heftige drukkende pijn, een der voornaamste. Bovendien komt het tot braken, dat, als het van een musculaire insufficiëntie het gevolg is, zich onderscheidt, doordat er zeer groote hoeveelheden maaginhoud voor den dag komen, en doordat het zich met vrij groote tusschenpoozen herhaalt, zoodat er soms wel eenige dagen verloopen tusschen twee aanvallen. De uitgebraakte maaginhoud bevat overblijfselen van een maaltijd, die het kind geruimen tijd te voren had gegeten, en vertoont al de eigenschappen van een stagneerende massa, die in gisting of rotting is overgegaan. De reuk is bedorven, soms meer zuurachtig door de aanwezigheid van veel organische zuren soms bepaald stinkend. Er is vrij veel slijm in aanwezig, dat afkomstig is van een secundaire catarrh van het slijmvlies. Nauwkeuriger chemisch onderzoek brengt aan het licht, dat er weinig of geen zoutzuur aanwezig is, en dat er van allerlei organische zuren (melkzuur, boterzuur enz.) groote hoeveelheden aanwezig zijn. Bovendien vindt men bij mikroskopisch onderzoek tal van microorganismen die in de stagneerende maaginhoud een gunstige voedingsbodem gevonden hebben, en die voor een deel actief hebben meegewerkt aan de ontleding van de verschillende bestanddeelen van het voedsel en aan de vorming van de ontledingsproducten. Behalve tal van bacteriën vallen dan meestal door hun eigenaardigen vorm het meest in het oog sarcinen of ook gistcellen. De melkzuurbacillen, bekend onder den naam van Oppler-Boasbacillen vindt men, naar het schijnt, in grooten getale slechts bij het carcinoom van de maag.

Bij de ontleding van het voedsel in de maag, die niet op tijd wordt ontledigd, worden ook allerlei gassen gevormd. Daardoor

Sluiten