Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij patiëntjes mot een hartaandoening is dan te denken aan haardvormige ontsteking tengevolge van een nierinfarct en zal men soms het bestaan daarvan kunnen afleiden uit het plotseling ontstaan zijn met pijn in de nierstreek en uit de aanwezigheid van vrij veel chromocyten. Indien er betrekkelijk veel leucocyten in de urine zijn gevonden, dan zal men aan de ontsteking door diffundeerende toxische stoffen om een tuberculeus nierhaardje heen moeten denken, en zal men, indien er geen klachten over frequente en pijnlijke mictie, of over pijn in de nierstreek zijn te vinden, en indien'de nier bij palpatie niet vergroot blijkt te zijn door bacteriologisch onderzoek trachten de diagnose te stellen (caviaproef). Des te eerder zal men bij kinderen aan deze niertuberculose denken, indien de locale tuberculinereactie positief uitvalt, en er andere redenen zijn om een tuberculeuze infectie waarschijnlijk te achten. Men bedenke, dat ook een diffuse nephritis bij tuberculose elders kan voorkomen.

Wanneer in de urine betrekkelijk veel leucocyten zijn te vinden moet men bij kinderen ook, of vooral, aan de pyelo-nephritis denken. In het stadium van de hooge koorts heeft men altijd kans om cvlinders en eiwit te vinden Daeenvoudigste wijze van onderscheiding is een bacteriologisch onderzoek van de steriel opgevangen urine: bij pyelonephritis vindt men vele bacteriën, meestal colibacillen. Een tumor geeft als beginsymptoom soms nephritis-urine.

Indien het kind een zware vorm van nephritis heeft met insufficiëntie van de nierfunctie (oedemen bijv.), dan zal men na urineonderzoek zelden meer twijfelen aan de prognose. Alleen aan amyloïd moet nog gedacht worden, indien er chronische ettering bestaat of tuberculose of syphilis. Op de noodzakelijkheid om bij een incompensatio cordis te denken aan de mogelijkheid dat de ziekte als nephritis begonnen is, is boven reeds gewezen.

Van veel gewicht is het om bij een nephritispatiënt zoo goed mogelijk vast te stellen, welke der verschillende nierfuncties gestoord zijn. In de algemeene inleiding is daarover reeds uitvoerig gesproken. Hier volge nog slechts een schematisch overzicht.

Bij bestaan van oedemen heeft men na te gaan, of het kind met zoutloos diëet meer keukenzout uitscheidt dan het opneemt, of het in gewicht snel daalt, en of terugkeer tot keukenzoutrijker voedsel de oedemen weer doet optreden.

Door een Mrewmbepaling in het bloedserum kan men zich een denkbeeld vormen van de uitscheiding van ureum en derg. Beter indruk geeft de bepaling van de constante van Ambakd, in die gevallen, dat er in het serum ureumcijfers tusschen 0,5 en 1 gr. werden gevonden.

Sluiten