Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de lymphklier liggen, het geen krachtige steun is voor de opvatting, dat deze cellen niet in de lymphklieren ontstaan maar van buitenaf binnendringen. Ook in de groote milt vindt men ze aanvankelijk om de arteries heen, later door de geheele milt verspreid. Bovendien vindt men in de milt enkele myelocyten en kernhoudende chromocyten. Ook in het beenmerg zijn de oorspronkelijke celsoorten bijna geheel verdrongen door de grootr» typische cellen, zoodat men slechts enkele myelocyten vindt. In lever, en ook in nier en thyreoïdea kan men ook ophoopingen van de lymphoïde cellen vinden.

Bovendien ziet men vochtophoopingen in de sereuze holten en bloedingen in verschillende organen.

THERAPIE is geheel machteloos tegen deze ziekte.

LYMPHATISCHE LEUKAMIE.

Deze ziekte is bij kinderen zelden waargenomen. Vroegere publicaties blijken dikwijls te zijn gevallen van acute leucaemie waarbij groote lymphocyten gevonden werden, maar het is veel waarschijnlijker, dat deze thuis behooren in het beeld der acute leucaemie, zooals dit zooeven is beschreven.

Men verstaat dan dus onder lymphatische leukaemie een ziekte, die zijn oorsprong neemt in het lymphoïde weefsel, waarbij de lymphklieren op alle plaatsen van het lichaam vergroot zijn en ook de milt belangrijk grooter dan normaal pleegt te worden gevonden, terwijl in het bloed een groot aantal lymphocyten wordt gevonden1), (zie fig. 119). De onderscheiding van een acute leukaemie is moeilijk zonder autopsie.

MALIGNE GrRANULOMEN.

(Adenie, ziekte van Hodgkin. Lymphadenomen. Maligne lymphomen).

SYMPTOMEN.

De ziekte begint. meestal met een vergrooting van één groep hals lymphklier en. Deze groeien langzaam zonder pijn te veroorzaken voort, en er ontstaan geen vergroeiingen met de omgeving noch onderling tusschen de vergroote klieren. De klieren voelen vrij hard aan en verweeken vrijwel nooit. Op dit stadium van

') R. Korteweg. Ned. Maandschr. v. Verloak. enz. en voor Kindergenk. VII. 1918, p. 154 Meijers. Arch. of Rediatrics 1915. Mrch. p. 188.

Sluiten