Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

middenstuk van de kern der streng, anders dan haar bouw aan het proximale en aan het distale einde.

In fig. 193 is een reeks frontale doorsneden geteekend door den hersenstam van het konijn, met een volledige degeneratie van den tractus spinalis. Zij begint met een snede proximaal van de plaats der intreding, als nog juist het proximale einde van den nucleus inasticatorius is geraakt. Beiderzijds is dan de mesencephale wortel gedegenereerd en in de 3'ie snede, waar tevens de op pag. 17 en 18 besproken kruisingen zichtbaar worden, is dit geteekend. Tot aan de knie van den N. facialis in de 5de snede blijft de kern met de celnesten, de nucleus sensibilis a, scherp te onderscheiden van den nucleus sensibilis b, met zijn grooten rijkdom aan fibrae concomitantes. In de volgende sneden begint de instraling onder loodrechte hoeken meer zichtbaar te worden, maar eerst in de 7° tot 11° snede, wordt de kern tot een waren nucleus gelatinosus, welke lateraal begeleid wordt door een stratum spongiosum dorsale. Mediaal ervan zet zich de nucleus sensibilis b in hét stratum spongiosum ventrale voort.

Dezelfde gelatineuse kern, ingesloten tusschen de beide strata spongiosa, vindt men ook bij den menscli (Deel I, fig. 150—154 en fig. 159). In fig. 160 echter begint daar eveneens de verandering. In fig. 172 is de tusschen twee spongieuse strata ingeklemde massa verdwenen, de nestjes beginnen en het schijnt dan alsof de substantia gelatinosa centraalwaarts is verschoven, waar zij met de smaakkern samenhangt (vergelijk fig. 208—212).

Celpraeparaten helderen het verschil tusschen de gelatineuse kern en de sensiebele kernen wel eenigszins op.

In het ruggemerg is de formatio Rolando uitvoerig beschreven. De kern van den tractus spinalis behoudt voorloopig den daar vermelden bouw. De zonale cellen in het oppervlakkige stratum spongiosum, die in het ruggemerg door Cajal „cellules limitrophes" zijn genoemd, nemen in aantal toe. De kleine cellen van Gierke, die Cajal „cellules centrales" noemde, bezitten hun kenmerkende plaatsing in radiale rijen en de terminale cellen, door Cajal in het ruggemerg „cellules profondes" geheeten, nemen in het breeder geworden stratum spongiosum mediale (ventrale) eveneens in aantal toe.

Toen bij de beschrijving van het ruggemerg de formatio Rolando uitvoerig werd behandeld, is de voorstelling gegeven, dat zwakke exteroreceptieve impulsen, door de zone van Lissauer in de zonale cellen gebracht, langs korte wegen naar de hersenen zouden worden geleid. Krachtiger impulsen zouden zoowel langs de spino-thalamische baan, als langs lange achterwortelvezels hun weg omhoog zoeken.

Klinische overwegingen waren het, die ons tot de onderstelling noopten, dat sterke extero-receptieve impulsen, langs denzelfden weg als zwakke toegevoerd, de kleine cellen van de substantia gelatinosa inschakelen, en hun weg naar het diepe stratum spongiosum vinden. Terminale cellen nemen ze op, roepen eenerzijds reflexen in het gebied der pars intermedia (vaat-

Sluiten