Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij den mensch in den regel tot doubletten vereenigd (fig. 205, corp. r. m. N.V.).

Het breede middenstuk, dat, naarmate men meer proximaalwaarts komt, in dorsale richting opschuift, wordt, eveneens op elke doorsnede, door één of meer groote cellen aan haar mediale zijde vergezeld (fig. 205. 1—3). Dez-e cellen gaan bij het konijn na trigeminusdoorsnijding snel te gronde.

Plet aanvankelijk korte mediale been (fig. 205, br. v. r. m. N.V.) loopt langs de dorso-laterale vezelvelden der formatio reticularis lateralis van het teginentum pontis en wordt, naarmate men meer proximaalwaarts komt, langer (fig. 20G. 1).

Daarin vindt men aan het meest distale einde (fig. 205 1) aanvankëlijk één tot drie groepen van kleine cellen. Zij behooren, naar mijne meening, tot den kop van de meseucephale kern en gaan met den N. trigeminus te gronde (fig. 205 1). Zij kunnen als nuclei parvocellulares tusschen de twee grootcellige groepen van den nucleus mesencephalicus worden onderscheiden.

Dit is niet het geval met de veel grootere cellen, die tot een groote kern vereenigd in den locus coeruleus worden gevonden en die ik ook nucleus coeruleus zal (fig. 205. 2 en 3) blijven noemen.

Deze cellen zijn slechts weinig kleiner dan de groote bes- of druifvormige cellen van den nucleus mesencephalicus, veel . grooter echter dan die in de zooeven genoemde celgroepjes, welke uitsluitend in distale sneden voorkomen (fig. 205 1) en reeds verdwenen zijn, als de nucleus coeruleus verschijnt. Zij missen den kermerkenden bouw der oorsprongscellen van den mesencephalen wortel.

Het mediale heen bedekt aanvankelijk den nucleus coeruleus, begrenst dezen dus dorsaal. Mediaal wordt die kern in haar distale gedeelte door een bundel scheef doorgesneden vezels begrensd, die wij later als den tractus vestibulo-mesencephalicns (fig. 205, tr. vest. mes.) zullen leeren kennen. Tevens echter komen hier scheef getroffen vezels voor, die wij later als secundaire quintusbanen zullen ontmoeten (sec. N.Y.). Tot zoover ongeveer spreidt zich het mediale heen van het dwars-doorsneden veld der radix mesencephalica uit. Ten minste in distale sneden.

Al spoedig ziet men in de substantia grisea centralis, dorsaal dus van het mediale been, middelgroote cellen voor den dag komen, die met den nucleus coeruleus schijnen samen te hangen. Tegelijkertijd wordt dij kern (fig. 205 3) niet langer door liet mediale been van den mesencephalen wortel begrensd. Dit deel van het wortelveld schijnt thans in de kern gelegen. Zoodra de kruising van den N. trochlearis bereikt is, neemt het aantal groote cellen zeer toe (fig. 206.* I). Zij blijven niet tegen de radix aan gelegen, maar breiden zich in de substantia grisea centralis uit, langs het dorsale been van de radix mesencephalicus, die, gelijk men in fig. 206. 1 ziet, zeer duidelijk samenhangt met den uit de kruising te voorschijn komende N. trochlearis der andere zijde.

Sluiten