Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lichaamsstand veranderen, afhankelijk van de verplaatsing der otolithen.

Naderde hij van boven en van terzijde het dier, dan wendde liet dier, als de staaf magnetisch werd, den romp van den magneet af, de mediale as van het lichaam werd gedraaid en de oogen voerden in tegengestelde richting een compensatie-beweging uit. Werd de staaf van beneden en van terzijde naar het dier gebracht, dan richtte het dier zich met den rug naar haar toe. Hij meende dus een afdoend bewijs te hebben gegeven, dat de veranderde drukking door otolithen-verplaatsing op de zintuigcéllen de impuls wekte voor de reflectorische verandering in stand van hoofd en oogen.

De verplaatsing der otolithen in de statocyste als impuls tot regeling voor zeer samengestelde bewegingsuitingen, waaraan kop, romp en oogen deelnemen, is echter, dank zij den schitterenden arbeid van Breuer, het uitgangspunt geworden voor het beoordeelen der functie van het labyrinth.

Het is bovendien zeer merkwaardig te noemen, dat het eerste ontstaan van een centraal zenuwstelsel verband schijnt te houden met de verschijning der statocyste en van het oog. Want daaruit vloeit voort, dat men in het labyrinth een der alleroudste zintuigen mag zien, die er zijn.

Niet minder merkwaardig is het, dat het beginsel, dat in den bouw dezer statocysten wordt waargenomen, zich door het geheele dierenrijk heen, ook bij de hoogste vertebraten, weet te handhaven, hoezeer de vorm van het orgaan, dat men daar met den naam labyrinth bestempelt, ook gewijzigd mag zijn.

Wel heeft bij die dieren, het statisch zintuigorgaan een buitengemeen groote differentiatie ondergaan en zal men op den eersten blik geen vormverwantschap tussclien statocyste en labyrinth meer vermoeden; desniettemin bezitten beide een reeks gemeenschappelijke eigenschappen.

De zintuigcellen van het labyrinth zijn haarcellen of beter staafjescellen. Zij zijn gelegen in een inzinking of zakje van de huid, dat volkomen of onvolkomen van de buitenwereld is afgesloten. Zij worden tussclien de epitheelcellen van den wand der zak plaatselijk opeengehoopt gevonden, zoodat groepjes, vlekken of lijsten van neuro-epitheelcellen daar bijeen liggen.

In het vocht, dat het zakje vult en een product is der cellen van zijn wand, ontstaan echter verschillende, min of meer georganiseerde, vormsels. Het meest eenvoudige geval is wel dat concrementen, uit een kalkzouten bevattend vocht, neerslaan en tot otolithen worden. Meer gewoon is, dat de zintuigcellen met behulp der wandcellen, het aanzijn geven aan vormsels van stijf geleiachtigen aard, waarin hun haren worden saamgehouden en waarin dan, soms langs bijzonderen weg, met behulp van z.g. otoconïén, veel kleinere concrementen, zijn samengevoegd. Men noemt die vormsels niet geheel terecht, cuticulaire vormsels. Op de macuïae vindt men hen als de geleiachtige, otolithen bevattende, otoconiën. Op de cristae der ampullen vindt men hen in den vorm van geleiachtige, koepelvormige organen, de

Sluiten