Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij de zoogdieren (fig. 229 III), ontwikkelt zich de lagoena verder tot een op de wijze van een slakkenhuis spiraalvormig gewonden buis, met 1 -4 windingen, die den naam cochlea heeft verkregen en waarin een eigen zintuigsvlakte van bizonderen bouw, het orgaan van Corti wordt aangetroffen, terwijl dan tevens de papilla lagoenae, geheel of gedeeltelijk verdwijnt. Cochlea en sacculus zijn ook daar slechts door den ductus reuniens verbonden. Sacculus en utriculus evenwel hangen nog min of meer samen en vormen te samen den voorhof van het labyrinth, liet vestibulum.

De verhouding der zenuwen tot de oorspronkelijke zakjes daarentegen blijft onveranderd.

De zenuw uit liet distale zakje heet N. cochlcaris. Zij voert de vezels uit de zintuigscellen der cochlea en uit die der macula sacculi naar liet centrum en wordt tot den distalen (dorsalen of lateralen) wortel van den N. octavus.

De zenuw uit het proximale zakje heet N. vestibularis. Zij voert de vezels uit de zintuigscellen van de macula utriculi en uit de crista ampullarum verder en wordt tot den proximalen (ventralen of medialen) wortel van den N. octavus.

Op die wijze is er door het geheele dierenrijk een eindorgaan aan den kop te vinden, dat wel terecht den naam van een doolhof verdient. Het daarvan uitgaande zenuwstelsel neemt bij den mensch een bizonder gewichtige plaats in, omdat het voor de twee meest specifieke menschelijke functies — het liooren en het evenwichtsbehoud — de leidende rol heeft en als zoodanig in de menschelijke kliniek, zelfs boven het oog, het meest op den voorgrond treedt.

Hoe oneindig ver, de twee bij uitstek menschelijke verrichtingen, ook uit elkander schijnen te staan, toch zijn zij met elkander meer verwant, dan een oppervlakkige beschouwing zou doen denken.

Men stelt zich gaarne voor, dat deze beide verrichtingen hun uitgangspunt vinden in twee volmaakt onderscheiden eindorganen, die als toevallig in het labyrinth bijeen liggen. Men gaat zelfs verder en neemt aan, dat de twee wortels van den N. octavus, de N. cochlearis en de N. vestibularis volkomen onderscheiden zenuwen zijn. Sacculus, utriculus en booggangen zouden dan als statisch eindorgaan een orgaan zijn, dat refiectorisch de bewegingen regelde, die voor het vasthouden van bepaalde lichaamsstanden noodzakelijk waren; de cochlea zou het eindorgaan voor het gehoorszintuig zijn, van welke een analogon bij lagere dieren niet zou bestaan, of althans niet is aangetoond; aldus is ongeveer de redeneering van hen, die elke verwantschap tusschen beide stelsels ontkennen en die, naar mijn meening, te exclusief en slechts tot op zekere hoogte door de feiten van liet anatomisch onderzoek gerechtvaardigd is.

Ook in zijn meest eenvoudigen vorm, als statocyste, verricht het eindorgaan meer dan ééne functie. Het vangt impulsen op van plaatselijke

Sluiten