Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tairc blaasjes min of meer gescheiden, al monden beiden er in uit en zijn zij dus door den ductus utriculo-saccularis daarmee en onderling verbonden.

In den recessus sphaericus ligt de sacculus, nog slechts door een hauw kanaaltje, den ductus reuniens, verbonden met den gewonden ductus cochlearis, een buis, die aan beide zijden, aan de helicotrema en in den recessus cochleae van het vestibulum blind eindigt en omgeven is door de met perilymphe gevulde scalae. De scala vestibuli begint tegenover het ovale venster, de scala tympani eindigt tegen het ronde venster.

Evenals de sacculus door perilymphe omgeven, ligt in den recessus ellipticus de utriqulus, in welken de booggangen zich openen; elk der drie booggangen bezit een eigen verwijding bij hun oorsprongsopening, het verticale en achterste kanaal bezitten een gemeenschappelijke eindopening, het horizontale kanaal heeft een eigen eindopening in den utriculus. Ook de booggangen worden omspoeld door perilymphe, een met cerebro-spinaalvocht vergelijkbare vloeistof, welke door den ductus perilymphaticus met de subdorsale ruimte samenhangt. In dit door vocht omgeven, vliezig labyrinth liggen dan plaatselijk de groepjes haardragende neuro-epitheelcellen. De mogelijkheid, dat zij door mechanische stooten geprikkeld worden, is eerst dan aanwezig, als ook aan de endolymphe of aan de zich daarin bevindende organen, stooten worden gegeven.

De meest belangrijke dezer groepjes zijn:

le. de striae nervosae in de booggangen;

2e. de maculae of zintuigsvlekken. Deze worden gevonden in den utriculus en in den sacculus;

3e. de cristac of zintuigslij sten, die men aan den ampullairen ingang van eiken booggang aantreft en

4e. het in den ductus cochlearis gelegen, samengestelde orgaan, van G o r ti. Deze verschillende eindorganen vragen thans een bizondere beschrijving.

B. De in het vliezig labyrinth gevonden eindorganen van den N. Octavus. De verspreiding der zenuwen daarin.

In de inleiding schetsten wij dit eindorgaan in zijn meest primitieven vorm, als een hoopje neuro-epitheelcellen in den wand van een met vocht gevuld zakje (hg. 227). Dit zakje splitste zich in tweeën, één distaal (sacculus) en één proximaal (utriculus) gelegen, ieder met een eigen macula. Het distale wordt door den ramus posterior N. VIII, het proximale door den ramus anterior N. VIII voorzien.

Ook bij de hoogste dieren blijven de maculae sacculi en utriculi bestaan en wij hebben'eenig recht, daarin de relatief oudste eindorganen van den N. octavus te zien.

Uit de macula utriculi vormen zich, zoodra er bij voortschrijdende ontwikkeling booggangen ontstaan, in de ainpullae dezer gangen, de zintuigslijsten, cristae ampullae, met eigen neuro-epitheelcellen bezet.

Sluiten