Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fibrilleiivlecht, die tegen den binnenwand van den hier nog kraakbeenigen labyrinthus osseus (tig. '241 a) aanligt en door de hoofdstammen wordt gevoed, de plexus perilymphaticus dus. Fijne vezels (tig. 241 c), gelegen in de plasma-uitloopers der eellen, welke in de perilympheruimte (waarin bloedvaten) worden aangetroffen, vormen de verbindingen met den grond-

plexus. Deze plexus basalis draagt de

cylindercellen. Zij schijnen er op te rusten (fig. 241 d).

Op één plaats (lig. 241 g) worden de cylindercellen plotseling hooger. De grondplexus, die hen draagt, neemt plaatselijk in omvang toe,

Fig. 241 A en li.

Teekening (.1) en photo (B) door den top van het beenig kanaal met den daarin gelegen vliezigen canalis semicircularis superior, eener pasgeboren rat. Naar Cajal's fibrillenmethode.

A. bij Immersie '/n °c. I. B. bij + 300 malige vergrooting.

a. = Kraakbeen van den labyrinthus osseus. b. — plexus perilymphaticus. c. = fibrillen uit dien plexus naar d. = den plexus basalis der booggang, welke e. = fijne vezels tusschen de cellen door zendt en in verband treedt met f. = den plexus endolymphaticus, die tegen de endolymphe aan ligt In g. — is de stria nervosa van den booggang, waar de grondvlecht dichter wordt, de cylindercellen hooger worden en lijne haren dragen.

vormt er een veel dichter tibrillennet. Telkens gaan fijne fibrillen tusschen de cellen van den wand door naar den binnenwand van den booggang al (fig. 241 in e) en vereenigen zich aan den top der cellen lot. een nieuwen,

veel fijneren plexus (lig. 240 in f), die de naar de endolymphe toegekeerden

Sluiten