Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

conjugeerde deviatie der beide oogen in tegengestelde richting, meermalen zijdelingsche blik-verlamming ook bij frontale hersenhaarden kon worden vastgesteld,

In zulke gevallen echter kijken de beide oogen den hersenhaard aan (regel van P r é v o s t), omdat zich aan de blik-verlamming de kramp der antagonistische innervatie paart.

Gebeurt het daarentegen, dat bij zulke hersenhaarden dit mechanisme niet verlamd, maar geprikkeld wordt, zooals bijv. bij J a c k s o n's epilepsie herhaaldelijk gebeurt, dan wijken de oogen zijdelings af en zien naar de trekkende extremiteiten (regel van Landouzy).

Er moeten dus wegen bestaan, langs welke het neo-pallium de zijdelingsche oogbewegingen kan beïnvloeden. De aan het ziekbed vastgestelde feiten wijzen er op en het volgt onmiddellijk uit het hierboven vermelde, dat die verbinding een gekruiste zijn moet.

Voorts leert de kliniek met zeer groote waarschijnlijkheid, dat de groote cortico-fugale weg. langs de zoogenaamde pvramiden-baan, deze wegen niet bevat.

Overgroot is het getal waargenomen verwoestingen der capsula interna met nablijvende hemiplegische contractuur, bij welke nooit blijvende bewegingsstoornissen werden waargenomen in de oogspier-musculatuur, noch zijdelingsche deviaties, noch stoornissen in andere oogspier-synergieën. Bij haarden onder de centrale windingen ontbreken zij. Bij haarden op den overgang tusschen wand- en slaapkwab, gaat de wel waargenomen zijdelingsche dwang naar den haard toe, gewoonlijk spoedig voorbij. Bij frontale haarden duurt het verschijnsel meestal langer, maar is dan zelfs zelden blijvend.

Omdat de pyramiden-baan niet de weg kan zijn, langs welken de schorsinnervatie de oogspier-synergieën in werking stelt, moet men dien weg elders zoeken. Dan ligt het opnieuw voor de hand te denken aan de beide pedunculi lemnisci van Déjérine en het systeem der andere cortico-fugale wegen, dat in het vorig hoofdstuk uitvoerig werd uiteengezet. Toen werd aangetoond, dat de in den lemniscus loopende cortico-fugale vezels, tot het caudale ponseinde doorloopen, in de raphe kruisen en ten deele na onderbreking in den nucleus reticulatus ventralis pontis, maar ook verder gaan naar de streek van de kern van den N. abducens.

Voor de eerste der in de vorige paragraaf genoemde synergieën kan men dus op klinische gronden vermoedens uiten, omtrent de corticale innervatie der zijdelingsche oogbewegingen. Zij mag gezocht worden langs de pedunculi lemnisci naar de streek van den n. N. abducentis.

Haarden in de Varols-brug geven zijdelingschen dwang der blikbeweging van den haard af, als de verbinding tusschen vestibularis-impulsen en de oogspier-kernen verbroken is. In het vorige hoofdstuk werd reeds besproken, dat de laterale groep kleine cellen, die F u s e tot den nucleus N. VI rekent en die door mij nog tot den n. triangularis wordt gerekend, het middelpunt zou kunnen zijn, waaruit de nucleus N. VI en via den fasciculus longitudinalis posterior ook den nucleus N. III beheerscht wordt. Op dit middelpunt

Sluiten