Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

einde de W e s t p h a 1-E d i n g e r kern en het proximale einde der kern van P e r 1 i a.

Bij het zoeken naar centrale innervatie-wegen voor deze synergieën zijn de ons ter beschikking staande klinische gegevens veel minder stellig, dan voor de zijdelingsche oogbewegingen.

Somwijlen is liet voorgekomen, dat de op en neergaande beweging der oogen, in tegenstelling van de andere oogspierbewegingen, verlamd was. Gewoonlijk bij haarden in de dorsale helft van het mesencephalon.

Daaruit volgt, dat het aangrijpingspunt der cortico-fugale vezels voor deze bewegingen veel meer proximaal is gelegen dan voor de zijdelingsche bewegingen.

Aangezien deze vezels evenmin als die voor de zijdelingsche bewegingen in het pyramiden-stelsel gelegen zijn, is men hier ook aangewezen op de beide pedunculi lemnisci van Déjérine, en dan meer bepaald op het groote aantal vezels, die zoowel den latero-pontinen bundel, als den bundel „vom Fusz zur Haube" verlaten, om door de substantia nigra heen naar het tegmentum te dringen.

Deze vezels zouden dan het in de middellijn gelegen schakel-apparaat zoeken, om de verlangde synergieën tot stand te brengen.

Als zoodanig zijn verschillende celgroepen voor de verschillende synergieën denkbaar.

a. voor de beweging naar beneden kan de groep kleine cellen in aanmerking komen, welke bij alle dieren, in de substantia grisea centralis en in de raphe tusschen beide trochlearis-kernen wordt gevonden. Zij werd in fig. 361 voor het konijn en in fig. 372 voor den mensch afgebeeld. Deze bij-kern van den n. trochlearis, als onparig schakel-apparaat tegen beide hoofdkernen aan geplaatst, zou voor deze synergie de leiding hebben en op soortgelijke wijze samenwerking van den m. obliquus superior en van den m. rectus inferior van beide zijden tot stand brengen, als het schakel apparaat, bij-kern van den nucleus N. abducentis, de synergie der zijdelingsche deviatie beheerscht.

b. voor de convergentie. Men laat in den regel gelden, dat het meer caudale gedeelte van den nucleus medialis N. III (de kern van P e r 1 i a) de kern is, die beide mm. recti mediales van wortelvezels voorziet.

Vrij algemeen is deze voorstelling doorgedrongen, vermoedelijk omdat uit deze kern naast ongekruiste een groot aantal gekruiste wortelvezels ontspringen. Beziet men haar bij den mensch (fig. 373 en fig. 374), dan blijkt zij uit allerlei soorten van cellen opgebouwd en ontvangt zij vooral in het proximale deel een zeer grooten toevloed van andere vezels dan wortelvezels, van fibrae rectae. Reeds daarom alleen, zou er een gewettigd vermoeden bestaan, dat het proximo-mediale deel der P e r 1 i a-kern een schakel-apparaat vertegenwoordigt, waarop centrale innervaties aangrijpen, die het caudale einde er van en dus de gelijktijdige werking van beide mm. recti mediales in werking brengen.

Daarbij komt nog iets. Onafscheidelijk verbonden met de convergentie

Sluiten