Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door het caudale einde, fig. 407 door het proximale einde van den nucleus dentatus. A is in beide afbeeldingen de snede door het normale cerebellum, B die door het atrophische. Zij gaan nagenoeg in dezelfde richting door het cerebellum heen. Men kan in fig. 406 B vaststellen, dat er van kernen of dwarse vezels in de ventrale pons-formatie niets over is en de bruggearmen geen vezels meer toevoeren. Voorts, dat in het corpus restiforme de olivo-cerebellaire stelsels zijn weggevallen. De beide spino-cerebellaire banen zijn in de medulla oblongata ongedeerd.

In de kleine-hersenen der gezonde zijde (fig. 406 A) ziet men twee machtige spaken, die zijdelings van de fissura paramediana heen in den lobulus paramedianus en in den lobulus simplex gaan. Deze spaken zijn in het atrophische cerebellum geducht geatrophiëerd, maar toch bevatten die spaken nog een vrij groot aantal intacte spino-cerebellaire vezels. Daar de lobulus paramedianus en het zijdelingsche deel van den lobulus simplex in E d i n g e r's schema tot het neo-cerebellum behooren, begeven zich dus nog oude banen in het neo-cerebellum. Daar er in het middendeel veel vezels zijn uitgevallen, gaan er ook zeer veel vezels uit nieuwe banen naar het palaio-cerebellum.

Daartegenover staan de teekeningen van fig. 407. A en B, die door den lobus anterior vallen. In deze sneden valt het aan de atrophische zijde op, hoe gering de veranderingen in de bind-armen zijn. De efferente wegen uit het cerebellum nemen aart de atrophie geen deel.

Hiei blijkt nu, dat naar het middengedeelte van het atrophische cerebellum een viij aanzienlijke toevoer van de spino-cerebellaire banen plaats vindt. Vergeleken echter met de gezonde zijde (fig. 407 A) blijkt echter tevens hoe enorm groot de atrophie der mergspaken in den lobus anterior daar ter plaatse (fig. 407 B) is. Er komen aanzienlijke hoeveelheden vezels uit jongere stelsels, hier vermoedelijk olivo-cerebellaire stelsels, in dit oude cerebellum van E dinger uit.

Alles bijeengenomen zien wij dus, dat ontwikkelings-geschiedenis en pathologische anatomie ons het recht geven om in beginsel een j oneer deel van het cerebellum te onderscheiden van een ouder deel en een neo-cerebellum te stellen naast en tusschen, maar niet tegenover een palaio-cerebellum.

Hoe groot ook de verdiensten zijn van schemata, zooals zij door E d i nger, Vogt en Brouwer zijn gegeven, toch hebben zij slechts betrekkelijke waarde. Principiëel juiste tegenstellingen zijn vastgekoppeld geworden aan scherp omlijnde vormen, terwijl de werkelijkheid een scherpe omlijning van deze vormen niet toelaat.

In deze omschrijving van onderscheiding tusschen neo-cerebellum en palaio-cerebellum, is de toenadering tot het door Bolk gegeven schema grooter, dan tot dat van E d i n g e r.

De lobus anterior bestaat even goed als de lobus posterior uit een oud (spino-cerebellair deel), uit een later bijgekomen (olivo-cerebellair deel) en een laatst bijgekomen (ponto-cerebellair deel) gedeelte. In den lobus anterior en in den vermis overweegt het oudere deel, maar van een scherpe tegenstelling tusschen worm en zijdelingsche gedeelten mag men niet spreken.

Sluiten