Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarentegen is de daarnevens zich ontwikkelende celgroep, waaraan Borowiecki den naam geeft van paramediale kern of nucleus paramedialis, een zeer eigenaardige, bij de enkele, meestal lagere zoogdieren voorkomende kern, kenmerkend voor het distale einde der Varols-brug (fig. 447). Bij die lagere dieren ziet men als gevolg daarvan het midden der ventrale afdeeüng der Var ols-brug ingenomen door een celgroep, die de gedaante heeft van een vijfhoek, met een zijde als basis rustend op het stratum superficiale, met een der hoekpunten in de middellijn en aan weerskanten begrensd door den lemniscus medialis. Twee der zijden gaan aan weerskanten evenwijdig aan de mediale zijde van de pyramide, de twee overblijvende streven van daar naar de middellijn en vereenigen zich in den tophoek van den vijfhoek.

De aldus omlijnde vijfhoek bestaat uit den nucleus medialis en uit den nucleus para-medialis. Al spoedig schuift zich tussclien dezen vijfhoek en de pyramide een nieuwe kern in.

Want aan het distale pons-einde wordt de pyramide omgeven door een ophooping van in een netwerk ingebedde cellen — den nucleus peri-peduncularis.

Deze ophooping is aanvankelijk het sterkst langs de laterale en ventrale zijde der pyramide, geleidelijk wordt langs de mediale grens der pyramide, tusschen dien bundel en de para-mediale kern, ook een stuk der peripedunculaire kern ingeschoven.

Dorsaal van de pyramide, die, als zij in de V a r o 1 s-brug is gekomen, tot den pes pedunculi gerekend wordt, vormt zij, althans bij de lagere zoogdieren, wier stratum fibrarum dorsale nog weinig ontwikkeld is, slechts een zeer dunne band of ontbreekt.

Van deze cel ophooping ontspringen bovendien celhoudende reticula en doorkruisen liet veld van den pes pedunculi. Zij verdeelen dit in secundaire veldjes. Men voegt alle in het pyramide-veld binnendringende, grijze, celhoudende, netwerken bijeen en noemt die bijeenvoeging de intra-pedunculaire kern. Peri- en intra-pedunculaire kernen behooren evenwel bijeen en worden gewoonlijk te zamen beschreven onder den naam van pedunculaire kern.

Dit alles vindt men afgebeeld in fig. 447, ge teekend naar een met karmijn gekleurde doorsnede van het distale brugge-einde bij een konijn.

Naarmate men dan in proximale richting verder onderzoekt, ondergaat vooreerst het mediale kern-gedeelte een belangrijke vergrooting. Weldra worden er ventraal en lateraal nieuwe cel ophoopingen (fig. 448) naast de vorige waargenomen.

De para-mediale kern vooral neemt in omvang toe. Daarmee vermeerderen sterk de transversale vezels in het stratum complexum. Dikke vezelbundels worden thans daarin gevonden. Eenige dezer bundels begrenzen ventraal de peri-pedunculaire kern en vormen dan een tamelijk breeden overgang in den brugge-arm (fig. 448 str. complex, a). Deze vezelbundels, het stratum complexum ventrale, scheiden de pedunculaire kern af van een andere, ventraal er van gelegen, die uitpuilt in het stratum superficiale. Aldus wordt bij konijnen

Sluiten