Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

culaire kern een celarme en daardoor licht gekleurde, helle zone. In het menschelijk bruggekern-stelsel speelt de para-mediale kern, die vooral bij het konijn, al minder bij de kat, een groote afmeting bereikt heeft, geen rol.

Behalve deze beide bijzonderheden, die voor de menschelijke V a r o 1 sbrug kenmerkend zijn, valt het verder op, dat de pedunculaire kern, eveneens een ontwikkeling heeft gekregen, welke bij geen ander zoogdier voorkomt. Vooral is dit met haar intra-pedunculaire afdeeling het geval. Breede strooken grijze stof, rijk aan cellen, doorbreken den peduncuhis in alle richtingen. De neuroblasten dezer kern staan in het hier beschreven foetus van 23 cM, op het punt om zich tot zenuw-cellen te ontwikkelen. Vergeleken met de pedunculaire kern van kat en konijn, is de ontwikkeling dezer kern bij den mensch wederom reusachtig te noemen.

Ditzelfde geldt ook voor de ventrale kern. Zij strekt zich niet alleen ventraal van de pedunculaire kern uit, maar zendt een uitlooper zijdelings in den brugge-arm. Zij is niet heel scherp van de laterale kern gescheiden. De reticula van beide dorsale uitloopers gaan in elkander over.

Ongetwijfeld zijn bij den mensch de laterale, de latero-dorsale, alsmede ook de reticulaire lemniscus-kernen omvangrijke kernen. Zij hebben, vergeleken met de kernen der lagere zoogdieren, niet de waarlijk enorme ontwikkeling erlangd, die de dorsale, pedunculaire en ventrale kernen bij den mensch hebben verkregen.

Het eigenaardige van het menschelijke bruggekern-stelsel bestaat dus uit drie kenmerken: le. het bezit eener groote dorsale kern, wier omvang zelfs bij apen nog klein is; 2e. het gemis eener paramediale kern, en 3e. de sterke ontwikkeling, waartoe pedunculaire en ventrale kernen gekomen zijn.

Wil men zich een juist denkbeeld vormen van den omvang, welke de drie naar den voorgrond tredende brugge-kernen van het menschelijk zenuwstelsel, elk voor zich, bezitten, dan doet men wel sagittale en horizontale doorsnedenreeksen door menschen-hersenen te onderzoeken, voordat men frontale sneden door de V a r o 1 s-brug bestudeert.

Ter demonstratie daarvan is in de eerste plaats fig. 455 geteekend. Deze snede, gekozen uit een, volgens W e i g e r t-P a 1-methode behandelde sagittale serie, loopt bijna parallel aan het sagittale vlak door de middellijn. Zij treft eenige millimeters van het midden het laterale gedeelte van de pyramide der oblongata. De longitudinale brugge-bundels worden daarin zoowel bij hun overgang in de pyramide, als bij hun overgang in den pes pedunculi cerebri getroffen.

Allereerst valt hier de groote omvang op, die de ventrale, pedunculaire en dorsale kernen bezitten.

De ventrale kern reikt ver proximaal-waarts. Zij begint daar, waar de instraling der pedunculus-vezels in de brug plaats vindt. Zij zet zich tot aan de pyramide der oblongata voort en hangt daar met den nucleus arcuatus samen (zie ook fig. 456). Uit den aard der zaak wordt alleen de ventrale afdeeling der kern getroffen. Zij omgeeft de longitudinale vezels als een kap

Sluiten