Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Iets dergelijks mag wellicht gelden van de vezels, die uit den bind-arm door den fasciculus prae-dorsalis naar beneden loopen. Ook zij kunnen, althans gedeeltelijk, afkomstig zijn uit nucleus triangularis, nucleus sensibilis N. V en lemnicus lateralis.

Van nog grooter belang is het evenwel, dat uit de voorafgaande uiteenzettingen kan worden afgeleid, dat een groot aantal vezels, die langs den bind-arm door de commissuur van Wernekink naar de roode kern gaan, niet uit de kleine-hersenkernen behoeven te ontspringen. Daaronder zijn er stellig, die zoowel door den binnensteel (I. A. K.) uit nucleus triangularis, trigeminus-kern, als door den lemniscus lateralis aan den bind-arm worden toegevoegd en langs dien weg een verbinding met de roode kern zoeken. In verband met de onderzoekingen van Rademaker en Magnus kan dit van groot belang zijn. De roode kern is in staat, ook wanneer haar verbindingen met groote- en kleine-hersenen zijn afgesneden, een aantal vestibulaire en lichamelijke instellings-reflexen te blijven handhaven.

Door hen wordt daarom op physiologische gronden de eisch gesteld, dat de roode kern, ook buiten de kleine-hersenen om, een toevoer moet ont\ angen uit de kernen van den N. octavus en der gevoelszenuwen van het lichaam.

De hier beschreven anatomische verhoudingen leeren althans één weg kennen, langs welken die toevoer mogelijk is, zonder daarom nog iets te praejudiciëeren over de vraag, of de roode kern ook directen toevoer ontvangt uit den lemniscus medialis, zooals enkele schrijvers gelooven, maar waaromtrent ik mij nog geen zekerheid heb kunnen verschaffen.

Wat voor het konijn in de voorafgaande bladzijden is beschi*even, geldt echter ook bij den mensch.

Het bewijs daarvan is gemakkelijk te leveren, als men het onderzoek begint bij foetaal hersen-materiaal.

Daartoe leent zich bijv. zeer goed het zenuwstelsel van een foetus van 30—36 cM., omdat er in de buurt van de laterale cerebellaire kernen op dat tijdstip nog geen spoor van merg-ontwikkeling wordt gevonden.

Bepaaldelijk wordt rondom den nucleus dentatus nog elk spoor van myelinisatie gemist. I\och in den hilus, noch in het vlies dezer kern vindt men merghoudende vezels, (fig. 494 A. n. dent), al zijn er op dat oogenblik een aantal merghoudende stelsels in de nabijheid (verg. ook § 2 van dit hoofdstuk).

Zoo is de tractus uncinatus (fig. 494 A. tr. unc.) reeds van stevig merg voorzien. Hetzelfde geldt van den tractus spino-cerebellaris dorsalis en in mindere mate ook van den tractus spino-cerebellaris ventralis (fig. 494 A. tr. sp. ce. do. en tr. sp. ce. ve.). Maar hilus en amiculum nuclei dentati zijn mergloos.

Men ziet desniettemin in dit praeparaat merghoudende vezels uit den binnensteel (fig. 494 A, I. A. K.) naar het gebied van den grootendeels mergloozen bind-arm gaan (fig. 494 A. tr. vest. riucl.), die in fig. 494 bij c gevonden wordt.

Geheel mergloos blijft derhalve dit veld niet, want inen ziet ook uit het

Sluiten