Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

myelo-genesis en celgroei, brachten nieuwe feiten. Daarop steunde een nieuw ingevoerd beginsel.

Er werd een onderscheid gemaakt tusschen een oud deel, een palaiocerebellum, dat bij visschen, amphibiën, reptiliën en in hoofdzaak nog bij vogels gevonden werd en een nieuwer deel. een neo-cerebellum, dat eerst bij de zoogdieren naast het oude tot ontwikkeling kwam. Dank zij de studie van de volgorde, waarin de myelinisatie van het cerebellaire merg plaats vindt en die van den celgroei in de kleine-hersenschors, kreeg die meening steun van de embryologie.

Aldus scheen het aanvankelijk alsof de door BolkenElliotSmith verworpen tegenstelling tusschen worm en hemispheer terugkeerde in een anderen vorm en wel als tegenstelling tusschen palaio-cerebellum en neocerebellum.

Inderdaad schijnt mij de onderscheiding, gemaakt tusschen palaio- en neo-cerebellum, toe een mijlpaal te zijn op den weg onzer kennis op dit gebied en ik besprak die leer uitvoerig in § 2, 3, 4 en 5.

Maar desniettemin heb ik gewaarschuwd tegen het gevaar van éénzijdige overschatting van het primitieve schema, door Edinger daarvoor gegeven. Het onbewezen geloof, dat een neo-cerebellum uitsluitend naast het palaiocerebellum zou zijn geplaatst, is ten slotte niet houdbaar.

Zulk een schema moet echter botsen tegen de voorstelling, die de physioloog zich maakt omtrent groei van weefsel tijdens voortschrijding van ontwikkeling.

Als hij de vraag stelt naar de wijze waarop, bij geleidelijke toeneming in functie en als gevolg daarvan toeneming in omvang van het functioneerend orgaan, de nieuwgevormde weefseldeelen zich aan de reeds bestaande oudere zullen aansluiten, dan denkt hij niet in de eerste plaats aan groei door middel van appositie.

Veeleer verwacht hij, dat althans in den aanvang en als de functioneele uitbreiding een geleidelijke is, dat de orgaan-vergrooting tot stand komt, doordat de jongere weefseldeelen zich tusschen de oudere inplaatsen.

Groei door intus-susceptie schijnt hem dan waarschijnlijker toe dan groei door appositie.

Er is uitvoerig in § 2 op gewezen, dat in den pionniers-arbeid van Bolk wel degelijk een physiologische gedachte is neergelegd.

Hij heeft verdedigd, dat de functie der ltleine-hersenen een coördineerende functie voor de motiliteit zou zijn en tevens, dat ondanks de éénvormigheid in den bouw der cerebellaire schors, die functie localiseerbaar zou zijn.

Daarmee had hij geen localisatie voor oogen, zooals in de schors der groote hersenen, in naast elkander gelegen onderling in bouw hoogst verschillende velden, een localisatie dus van zeer verschillende functies, die van huis uit niets met elkander te maken hebben.

Hij dacht aan een localisatie, afhankelijk van den verschillenden aard der verbindingen, die veroorloofden, dat éénzelfde grondfunctie — coördinatie der motiliteit volgens éénzelfde schema, dat zich weerspiegelde in den overal

Sluiten