Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu echter komen de schijnbare botsingen tusschen Bolk's en Eding e r s resultaten in een ander licht. Er is geen eigenlijke tegenstelling tusschen worm en hemispheren, ook al heeft de worm bij de lagere vertebraten lang bestaan, voordat er van hemispheren zich iets heeft ontwikkeld.

Datgene echter, wat later is geworden tot den worm bij de hoogere vertebraten, is in geenen deele meer vergelijkbaar met dat, wat bij de lagere vertebraten dien naam draagt. Bij de hoogere vertebraten is de worm door het neo-cerebellum zoozeer gemodificeerd, dat hij niet meer uitsluitend palaio-cerebellum is gebleven.

Wel blijft gelden, dat hoe verder men lateraal-waarts komt en vooral in den lobus posticus, men steeds meer producten van het neo-cerebellaire geheel ontmoet. Daarmeê komt het inderdaad tot uitsluitend gekruiste verbindingen, zooals in § 4 uitvoerig uiteen is gezet.

Een ander niet minder belangrijk punt, dat in § 5 van dit hoofdstuk is toegelicht, vloeit voort uit de onderzoekingen van Magnus en Rademaker.

Het bewijs, dat een aantal zich in het mesencephalon afspelende instellingsreflexen, onafhankelijk zijn van het cerebellum en na de wegneming er van, voortbestaan, stelde onverwacht een nieuwen eisch aan de anatomie.

Er moesten wel verlangd worden: directe aanvoerwegen uit medulla oblongata en medulla spinalis, naar het organisatie-middelpunt dezer reflexen, de roode kern, aanvoerwegen dus, die niet, langs een omweg, over de kleine' hersenen heen de roode kern bereikten.

Die eisch lokte een nadere studie uit over de architectuur van den bind-arm.

Het bleek dat deze bundel, tijdens zijn loop langs den binnenstee] van het corpus restiforme een ongedacht groot aantal vezels toegevoerd krijgt uit het octavus-, trigeminus- en lemniscus-gebied.

Daar ook deze vezels naar de roode kern gaan, zoowel als naar oogspierkernen en ruggemerg, is er voor dien physiologischen eisch wel een anatomische grondslag.

Bovendien is het waarschijnlijk, dat ook vezels uit den medialen lemniscus buiten den bind-arm om in de roode kern overgaan en is dus de aanvoer van impulsen uit medulla oblongata en spinalis naar de roode kern veel grooter dan vermoed werd.

Eindelijk moet nog op een derde punt gewezen worden.

Na de grondleggende resultaten van B o 1 k, E 11 i o t S m i t h, Edinger, Kappers, Brouwer, Valkenburg, Sven Ingv'ar, acht ik van niet minder groot belang, de klinische ervaring, die door de fransche school is uitgewerkt tot een grondslag voor de functie-leer van het cerebellum.

Onder leiding van Babinski en André Thomas, gesteund door Grainger Stewart en Gordon Holmes zou de eerste, belangrijkste, functioneele eigenschap van het cerebellum daarin bestaan, dat het

Sluiten