Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

interpedunculare, ligt, zooals in de vorige paragraaf werd uiteengezet, bij zoogdieren de roode kern.

In haar meest primitieven vorm wordt zij zeer vroeg in de rij der vertebraten aangetroffen.

Bij haaien nog slechts door enkele cellen vertegenwoordigd, is zij bij dieren met een sterk ontwikkeld striatum, bijv. bij de vogels, een belangrijke kern.

Naarmate haar beteekenis, die parallel loopt aan de grootere ontwikkeling van kleine hersenen, striatum, thalamus en pallium cerebri, toeneemt, wordt de roode kern grooter in omvang. Maar tevens, en dit is veel gewichtiger, wordt haar structuur door grootere complicatie gewijzigd en ondergaat de plaatsing harer onderdeelen, in verband daarmee, verandering.

Dit feit is door de klinici dikwijls over het hoofd gezien en zoo komt het, dat ondanks den arbeid van Hatscheken van v o n M o n a k o w, er in de anatomie van de menschelijke roode kern een zeer groote verwarring heerscht.

De kern wordt bij alle zoogdieren door de uittredende wortels van den N. oculomotorius doorbroken. De laterale wortelvezels gaan er dwars doorheen. De mediale wortelbundels vormen niet zelden een schijnbare mediale grenslijn voor de kern. Toch heeft de roode kern niets met de uittredende wortelvezels van den N. III te maken. Van het optisch zenuwstelsel is zij, voor zoover ik kan nagaan, niet of slechts zeer indirect afhankelijk.

Bij den mol bijv., die de kern en wortelvezels van den oculomotorius nagenoeg volkomen mist en bij welken het optisch zenuwstelsel in hooge mate is gereduceerd, wordt desondanks, een zeer groote en zeer merkwaardige roode kern gevonden (verg. fig. 505 en fig. 576).

De roode kern ligt steeds proximaal van de commissura van Wemek i n k, althans wanneer men deze niet verder uitstrekt, dan zoover als de bind-arm daarin ziin kruising voltooit. Na deze kruising zet de bind-arm zijn loop in de lengte-as van het zenuwstelsel nog een eindweegs proximaalwaarts voort. Hij ligt dan medio-ventraal van de substantia grisea centralis in het tegmentum, als Stilling's witte kern. Daarin verschijnen het eerst in de dorsale afdeeling van den bind-arm plotseling de groote multipolaire cellen, die haar stempel drukken op de roode kern.

Die cellen liggen in eigenaardige, zeer vezelrijke strooken van grijze stof, reticula, die in het massieve vezelveld van den bind-arm ontstaan en het in talrijke vezelbundels uiteensplijten. Weldra omvatten deze reticula, waarin in de eerste plaats zeer groote cellen, maar daarenboven ook kleinere zijn gebed, den bind-arm van alle zijden en is de door grooten bloedrijkdom rood gekleurde kern ontstaan. De bind-arm ontbundelt zich tusschen deze reticula en gaat daarin over.

Echter blijft hij ventraal en later centraal nog vrij lang als een massief vezelveld van witte kleur herkenbaar.

Aldus wordt aan het distale eind van den nucleus ruber, aanvankelijk nog een wit veld gevonden, dat door Stilling als de witte kern of centrale

Sluiten