Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schijn wekt, alsof de grootcellige kern veel minder ver in proximale richting vooruit is geschoven, dan dit bij konijn, hond en kat het geval is, wordt door fig. 509 en 510 nog een ander belangrijk feit toegelicht. De grootcellige kern is bij deze apen tevens niet alleen relatief, maar ook absoluut veel kleiner geworden dan zij bij de lagere zoogdieren was.

De kennis der in de vorige bladzijden beschreven feiten, het rekening houden met den steeds toenemenden omvang der kleincellige kern, naarmate cerebellum en pallium tot grooter ontwikkeling komen, met de distale verplaatsing en de reductie der grootcellige kern, zijn noodzakelijke voorwaarden om de eigenaardige verhoudingen te verstaan, die men bij de menschelijke roode kern vindt. Ofschoon zij door Hatschek reeds volkomen juist zijn gewaardeerd en door von Monakow bevestigd, zijn zij door klinici en patholoog-anatomen vergeten, wat tot groote verwarring aanleiding heeft gegeven.

Zoodra bij den mensch. zie fig. 511. en 512., de bind-arm uit zijn kruising in de commissuur van Wernekink is vrijgekomen en zijn loop in proximale richting voortzet naar het centrale merg der menschelijke roode kern, (S t i 11 i n g's witte kern), ontstaan ook daar, maar lang voordat men gewoon is van roode kern te spreken, op de dorsale bind-arm-vlakte, reticula, waarin zeer groote cellen worden gevonden (vergelijk ook fig. 546. en fig. 547).

Tusschen de den bind-arm doorborende wortels van den N. oculomotorius vindt men daar een groep van 5 tot 15 cellen, iets grooter dan de cellen in de kern dier zenuw.

Zij liggen in trabekels, die voor de roode kern kenmerkend zijn (zie fig. 515) en deze trabekels kan men in een dun laagje langs den lateralen rand van den bind-arm ventraalwaarts vervolgen.

Deze trabekels kan men. als men hun plaatsing eenmaal weet, zelfs in het Weiger t-P a 1-praeparaat, zeer gemakkelijk tusschen een paar oculomotorius-wortels als een helle zone terugvinden, die langs den lateralen bind-arm-rand zich als een dun bandje uitstrekt. Dit is in fig. 511. uiteen serie van een normaal kind van één jaar genomen, vrij duidelijk zichtbaar.

Maar de plaatsing der cellen ziet men eerst recht goed in het Nis's 1praeparaat. Naar zulk een praeparaat is fig. 512. geteekend uit een serie door de roode kern van een volwassen man.

Men vindt hier een groepje van 14 cellen dorsaal op den bind-arm tusschen twee daar doorheen trekkende oculomotorius-wortels gelegen. Zij liggen in trabekels, die het dorsale bind-arm-gedeelte uiteendringen en in bundels splitsen, het centrale gedeelte ervan vrij laten, maar die zich voortzetten langs den lateralen bind-arm-rand (zie ook fig. 547).

Ook daar worden (zie fig. 512) groote cellen gevonden, die meest in groepjes van 2—5_j vereenigd zijn en zich tot aan den ventro-lateralen bind-arm-rand voortzetten.

In de serie, aan welke fig. 512 is ontleend, worden deze cellen in een

Sluiten