Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zichtbaar geworden. Daardoor wordt licht geworpen op bepaalde verhoudingen, welke bij alle zoogdieren, zelfs bij den mensch nog wel voortbestaan, maar wegens de groote samengesteldheid van het geheel niet duidelijk voor de hand liggen.

In een Weigert -praeparaat (zie fig. 580 A) door het caudale einde der kern, ziet men de substantia nigra tusschen hersensteel en lemniscus medialis, mediaal begrensd door het ganglion interpedunculare, dorsolateraal door de formatio reticularis tegmenti en het ganglion geniculatum mediale.

Bij den mol bezit de pes pedunculi ook aan haar ventrale oppervlakte nog een eigen kern, door Ganser in zijn monographie der mollen-hersenen als nucleus infra-peduncularis beschreven.

De mediale lemniscus bestaat er uit twee massieve vezelvelden. Het meest mediale (fig. 580. Ie. med. me.), gaat naar den thalamus door (tractus spino-thalamicus). De meer laterale afdeeling (fig. 580 le. med. la.) gaat in het middelste merg van den voorsten heuvel over, te zamen met den tractus spino-tectalis (E d i n g e r). Beide massieve vezelvelden zijn door een laag minder dicht opeen-liggende vezelbundels van den medialen lemniscus met elkander verbonden.

Men onderscheidt in de substantia nigra gemakkelijk de ventrale area reticulata (fig. 580. ar. ret. s. nigra), met de grove vezel-bundels van het stratum intermedium en de dorsale area compacta (fig. 580. ar. co. s. nigra) met de verspreide fijne vezels er van.

De aandacht wordt echter getrokken door twee flink ontwikkelde bundels van vezels, die in fig. 580 A met x en y zijn aangeduid. De eene, y, ligt lateraal, is uit vrij grove vezels opgebouwd, ontspringt uit de laterale afdeeling der substantia nigra.

De andere, x, wordt gevormd door in horizontale richting getroffen vezels, die in het mediale gedeelte de substantia nigra binnenstralen.

Het schijnt alsof de eerstgenoemde bundel van vezels, die wij, in navolging van B a u e r fibrae nigrae-mesencephalicae zullen noemen, naar het diepe merg van den voorsten heuvel van het mesencephalon straalt.

Deze bundel (fig. 580 A), ook door Ganser bij den mol beschreven, is bij weinig dieren zoo duidelijk als bij den mol, ofschoon de vezels, die hem samenstellen, bij alle zoogdieren, ook bij den mensch, voorkomen, al mogen zij dan wel of niet in een aaneengesloten bundel vereenigd zijn. Bij de muis zijn deze vezels door C a j a 1 in zijn handboek beschreven en afgebeeld (cf. fig. 154). Hij vergelijkt dien bundel met een bundel golvende haren (fibres ondulées, comme un bouclé de cheveux frisées). Bij alle dieren komen zij voor.

S a n o beschrijft hen bij egel, kat, varken, aap en mensch, in een systeem, waaraan hij den naam Dl geeft. Spitzer en Karplus gelukte het, die vezels tot degeneratie te brengen, na een steek in het laterale gedeelte der substantia nigra. Met M a r c h i-methode zagen zij die vezels in het diepe merg Van den voorsten heuvel overgaan. Onderweg geven zij onder

Sluiten