Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het occipitale gedeelte van den thalamus, altijd nog lateraalwaarts vergezeld van de stria terminalis, wijkt lateraalwaarts af, verliest zijn mediale begrenzing door de stria thalami zoowel als door den derden ventrikel en steekt dan met een afgeknot gebogen einde in den lateralen ventrikel uit. Dit caudale einde, ietwat ventraalwaarts omgebogen, is bekend onder den naam van pulvinar thalami (fig. 605 pulv. th.) en wij hebben het bij de behandeling der vezeleindigingen van den tractus opticus leeren kennen als een thalamusdeel, waarin nog een aantal vezels uit dien bundel overgaan.

Naast de mediale voorwelving van het diëncephalon ziet men lateraal, gescheiden van haar door de taenia terminalis, de voorwelving in den lateralen ventrikel van den dorsalen wand eener afdeeling van het corpus striatum, namelijk van den nucleus caudatus of staart-kern (fig. 605 n. caudatus). Men is gewoon daaraan een kop of caput nuclei caudati (fig. 605 cap. n. c.) te onderscheiden van een staart of cauda nuclei caudati (fig. 605 cauda n. c.). Kop en staart puilen over hun geheele lengte in den lateralen ventrikel uit. Frontaal vooral is de kop zeer groot, zoodat hij nog voorbij het foramen M o n r o i in den voorhoorn van den lateralen ventrikel reikt. Hij wordt in occipitale richting snel dunner en gaat over in de cauda nuclei caudati, steeds mediaal vergezeld van de stria terminalis. Met de stria wijkt de cauda in laterale richting af bij haar loop in occipitale richting, totdat zij gezamenlijk omslaan in den ondersten, sphenoidalen hoorn van den lateralen ventrikel en dan in frontale richting terugloopen.

Zij maken beide deel uit van den lateralen kamerwand, blijven dit doen als zij in den ondersten hoorn zijn omgebogen, maar dan is de dorsale vlakte van de cauda nuclei caudati haar ventrale vlakte geworden.

De nucleus caudatus doet zich, van dorsaal gezien, dus voor als een komma met een dikken, aangezwollen kop en een lang uitgetrokken en omgebogen staart, die tusschen de stria terminalis en den medialen hemispherenwand uitgespannen is.

Langs de mediale zijde van den nucleus caudatus ligt de tela chorioidea, die aan de linker zijde nabij het foramen M o n r o i is afgeknipt en aan de rechter zijde eenigszins ter zijde is geschoven. De tela chorioidea ligt evenwel slechts schijnbaar (fig. 605 t. ch.) vrij in den ventrikel. Zij heeft den, tot een enkele laag ependym-cellen gereduceerden, medialen wand der hemispheer, die de stria terminalis met de fimbria fornicis verbindt, voor zich uitgedrongen, maar blijft zelve buiten den kamerwand gelegen.

De z.g. groote hersenspleet is geen spleet. Zoodra de tela chorioidea, met den er mee verbonden hemispherenwand wordt weggenomen, komt er echter een spleet. Aldus loopt de tela chorioidea, gevoed door de arteria chorioidea, altijd door venae opnemend uit het corpus striatum, langs de stria terminalis, tot aan het foramen Monroi toe. Dan ontlasten zich uit haar de beide venae terminales in het dak van den 3den ventrikel. Ook daar dringt de tela weer schijnbaar in de kamerholte. Zij is, te zamen met het dak van den derden ventrikel bij het hier geteekende praeparaat weggepraepareerd.

Sluiten