Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den recessus aan weerszijden wederom een opening in de dunne ependym-laag — de foramina van Luschka —, die wederom als plaatsen worden aangezien, waardoor de ventrikelholte samenhangt met de subaracbnoidale ruimte rondom de hersenen.

Ook hier zijn weer de gevoelens verdeeld, of de foramina Luschka gepraeformeerde openingen zijn, waar doorheen de tela chorioidea is gegroeid of accidenteele, gevormd bij het doorgaan der tela-vaten en hun rekking bij dien groei der tela chorioidea is ontstaan.

In ieder geval worden door vele schrijvers het foramen M a g e n d i e

en de beide foramina Luschka voorgesteld als openingen, waar het vocht der kamerholten in verband kan komen met dat, wat zich in de subarachnoidale ruimte bevindt.

Wat nu de algemeene vorm van de hersenventrikels aangaat, zoo moge opgemerkt worden, dat de hersenkamers overal gelijk te stellen zijn aan de holte, die als het centrale kanaal in het foetale ruggemerg wordt gezien en daar nog zeer omvangrij k i s. In elk der 5 hersenblaas jes wordt derhalve deze holte aangetroffen.

De vorm dezer holten kan men bestudeeren aan afgietsels, die gemaakt zijn door in de hersenventrikels een vloeistof te spuiten, die later stolt, bijv. was. Na de verwijdering der hersenen krijgt men een figuur zooals in fig. 607 is afgebeeld, naar het voorbeeld van Rauber. Men herkent dan in de eerste plaats den eigenaardigen vorm, dien de laterale ventrikel, de holte aan het hemispherenblaasje, van boven gezien, bezit.

Men onderscheidt daaraan een middenstuk, de -pars centralis ventriculi, dat naar voren toe in de frontale kwab uitloopt in een kommavormigen voorhoorn of den frontalen hoorn (fig. 607 c. fro.) der kamer. Naar achteren toe zendt dit middenstuk een hoorn in de occipitale kwab, den eveneens kommavormigen achterhoorn of occipitalen hoorn (fig. 607 c. occ.). Tevens zendt dit middenstuk in de temporale kwab een ondersten hoorn of een temporalen hoorn (fig. 607 c. sph.) der kamer uit. Deze vorm houdt verband met de boogvormige kromming, die het mantelstuk rondom de insula maakt.

Fig. 607.

Afgietsel der hersenholten volgens Rauber.

L. — laterale ventrikel. M. = foramen M o n r o i. III. = ventriculus tertius. Aq. = Aquaeduetus Sylvii. IV. = ventriculus quartus met recessus. c. c. = centrale kanaal van het ruggemerg. c. fro. = frontale of voorste hoorn, c. occ. = occipitale of achterste hoorn, c. sph. = temporale of onderste hoorn.

Sluiten