Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

getroffen bundel zichtbaar, die naar het corpus mammillare gaat. De fimbria fornicis (fig. 616 f. for. de) hangt aan de ventrale zijde van den balk en vormt de mediale begrenzing van den voorhoorn (fig. 616V.L.), die hier eindigt en in het middenstuk van den lateralen ventrikel overgaat. Evenzoo eindigt hier het caput nuclei caudati en gaat in den staart van deze kern over.

De dorsale en laterale grenzen van den voorhoorn zijn weinig veranderd, in vergelijking met fig. 615. Mediaal echter van de taenia terminalis (fig. 616 taen. term.) komt tegen het foramen M o n r o i een voorwelving tot stand, die als eerste begin van het diëncephalon mag worden aangezien en al dadelijk door de taenia thalami (fig. 616 ta. thalami) wordt begrensd tegen den derden ventrikel.

Alles wat thans dorsaal van de capsula interna is gelegen, mag echter, al behoort het tot het diëncephalon, nog niet tot den thalamus worden gerekend. Wel dringen de laterale kern van den thalamus (fig. 616 n. lat. th.) en de voorste kern van den thalamus (fig. 616 n. ant. th.) tot hiertoe door. Daar is een deel van het diëncephalon dat hier met het striatum (P3) samenhangt. Men herkent het striatum, dat dorsaal wordt begrensd door substantia grisea centralis (fig. 616 s. gr. ce.) met het stratum subcallosum en door den fasciculus fronto-occipitalis (fig. 616 tr. fr. occ.), lateraal door de capsula externa (fig. 616 c. externa) tegen het claustrum en ventraal door de commissura cerebri anterior (fig. 616 c. ant.), die na de overkruising zich heeft omgebogen en in de lengte-as naar de amandel-kern en de slaapkwab loopt, benevens door de lamina perforata of de regio innominata (fig. 616 reg. innominata), waarop het striatum rust.

Tevens herkent men in het striatum den nucleus caudatus en de n. lentiformis, die door de capsula interna worden gescheiden, welke tevens de mediale grensvalkte van de lenskern vormt.

Bepaaldelijk de -lenskern is hier in grooter omvang getroffen dan in fig. 615 het geval was. In den nucleus pallidus (fig. 616 pallidum) zijn nu drie striae medullares te onderscheiden. De stria medullaris externa (fig. 616 str. me. externa) scheidt het pallidum van het putamen af. Tusschen haar en de stria medullaris intermedia (fig. 616 str. me. int.) ligt het buitenste lid, Px van het pallidum (fig. 616 Pj). Tusschen laatstgenoemde stria en de stria medullaris interna of profunda (fig. 616 str. me. pr.) ligt het middelste lid, P2 van het pallidum (fig. 616 P2). Het binnenste lid, P3 van het pallidum (fig. 616 P3) ligt mediaal van de stria medullaris profunda. Alle drie striae gaan naar de \ entrale zijde van het pallidum over in de ansa lenticularis (fig. 616 ansalent.), een band van witte stof, die de ventrale grensvlakte van den nucleus pallidus vormt en zich in een fraaien boog rond de mediale punt van de capsula interna heenbuigt om dan in den pedunculus thalami infenor (fig. 616 p. th. inf.) over te gaan.

Het \ alt echter op dat het binnenste lid, P3 van den nucleus pallidus, dat door een vrij krachtige lamella limitans pallidi van de capsula interna is gescheiden, niet alleen kan begrensd blijven tusschen stria medullaris

WINKLER V. o

Sluiten