Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet in sterker mate atrophisch is dan de nucleus pallidus, de vermeerdering en de verdichting van het eigen vezelnetwerk.

Tusschen het vezelverlies in het occipitale stuk van de lenskern is er, tenzij dan in de intensiteit, geen verschil tusschen dit geval en het vorige. Het is echter moeilijker te beoordeelen hoever dit vezelverlies frontaal-waarts reikt. Bij het vorig konijn was het frontale stuk van het striatum onveranderd. Hier schijnt dit niet zoo te zijn.

Men moet echter rekening houden met de omvangrijke beleediging in het frontale gedeelte der hersenschors, zoowel als met de kwetsing van den nucleus caudatus, die hier heeft plaats gegrepen. In de volgende waarneming komen wij evenwel op de veranderingen in het voorste gedeelte van het striatum, na laesies in de frontale hersenen, terug.

Maar alles bijeengenomen, kunnen wij toch zeggen, dat in beide gevallen de doorsnijding der regio subthalamica gevoerd heeft tot het wegvallen van nagenoeg alle lengte vezels in een bepaald stuk van het striatum.

Het is het occipitale stuk van het striatum, dat door een z.g. capsula externa, die naar het temporale gedeelte der commissura anterior loopt, van de schors wordt afgescheiden zonder door een claustrum begrensd te worden.

En wat de cellen aangaat, zoo geldt in het laatste geval voor ditzelfde occipitale stuk hetzelfde als in het eerste, maar wederom meer intensief. Fig. 656 geeft het weer. In deze teekening naar een karmijn-haematoxylinepraeparaat ziet men, dat de celdegeneratie in de groote cellen van den nucleus pallidus zeer omvangrijk is. Veel omvangrijker dan die welke in fig. 649 en fig. 650 is afgebeeld.

Slechts enkele der groote cellen in den linker nucleus pallidus zijn aan den ondergang ontsnapt. In den bloedrijken nucleus pallidus vindt men celresten of gedegenereerde cellen en de weinige intacte cellen worden het meest in de nabijheid van het putamen aangetroffen.

In het putamen der linker zijde zijn de kleine in groepjes geplaatste cellen veel kleiner dan rechts, maar zij zijn ook kleiner dan in fig. 649 en fig. 650.

Voor het striatum zijn er dus in de beide beschreven gevallen velerlei punten van overeenkomst.

Wordt bij het konijn de regio subthalamica en daarmee het kamsysteem vernield, dan ontstaat een bijna volkomen verlies van lengtevezels in de lenskern en verdwijnen de groote cellen in den nucleus pallidus ten gevolge van degeneratie. Dit geldt voor het occipitale stuk ervan. Het frontale stuk ervan en de nucleus caudatus verandert dientengevolge niet.

Door deze operatie valt het striatum der makrosmatische zoogdieren in twee stukken uiteen.

Het kamsysteem staat op omvangrijke wijze met het occipitale gedeelte der lenskern in verband. Lengtevezels vallen daarin dan weg, de groote cellen in den nucleus pallidus van dit stuk degenereeren.

Het frontale stuk van het striatum ondergaat slechts geringen invloed

Sluiten