Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jectie-vezels uit de schors naar het striatum zou kunnen beschouwen, zijn er echter nog andere verbindingen tusschen striatum en cortex.

Minkowski, Coenen, K o d a m a, allen onderzoekers gevormd in de school van von Monakow. meenen terecht, dat er naast de genoemde projectie-vezels nog andere vezels van de schors naar het striatum gaan. De schors is ook door associatie-vezels met den nucleus caudatus verbonden.

Coenen zag, dat na frontale operaties bij het konijn associatie-vezels langs het stratum subcallosum heen, naar het striatum gaan. Zij konden door M a r c h i-degeneratie worden aangetoond. Het putamen blijft dan echter volkomen vrij van dergelijke door M a r c h i-degeneratie zichtbaar geworden vezels. Daardoor was er al twijfel gerezen of de bouw van den nucleus caudatus en van het putamen wel zoo heel gelijkwaardig was, als men het zich gewoonlijk voorstelde. Vooral echter werd daardoor al een ernstige schok toegebracht aan de zoo eenvoudige voorstelling alsof het striatum als een zelfstandig orgaan zou functioneeren.

In den allerjongsten tijd komt echter Gurewitsch met argumenten, welke de gangbare voorstelling over het neo-striatum volkomen onhoudbaar maken. Een vergelijkend onderzoek naar den celbouw in het frontale striatumgedeelte leert hem, dat er van een gelijksoortigheid in den bouw van putamen en nucleus caudatus geen sprake kan zijn.

In den kop van den nucleus caudatus onderscheidt hij 4 zeer verschillend gebouwde velden in de met N i s s 1 gekleurde celprae para ten. Een is er dorsaal gelegen. Een tweede is intermediair geplaatst en zet zich voort in den staart van den nucleus caudatus. Een derde ligt ventro-lateraal en een vierde, het ventrale veld, is identisch met den nucleus accumbens septi.

Deze velden zijn met schorsvelden vergelijkbaar. Zij verschillen door den vorm, de grootte en de rangschikking der groote effectorische cellen, zoowel als door den vorm, de grootte en de ordening der kleine receptorische cellen, welke niet zelden in lagen zijn geplaatst.

In het voorstuk, de aanzwelling van het putamen, vindt men drie soortgelijke, eveneens onderscheiden velden.

Gurewitsch is er van overtuigd, dat door zijn onderzoek een begin is gemaakt met een vergelijking van onderdeelen van den nucleus caudatus met schorsvelden. In elk geval ontneemt zijn onderzoek den bodem aan de meening, dat nucleus caudatus en putamen een gelijken bouw zouden vertoonen. Van het eenvoudige schema voor het striatum, door de oudere onderzoekers verdedigd en door Oscar en CécileVogt overgenomen, is dus eigenlijk niet veel overgeschoten.

Het frontale gedeelte van d.-ii nucleus caudatus en van het putamen staan als veel verder gedifferentieerde gedeelten tegenover het occipitale gedeelte ervan, evengoed als het frontale gedeelte op geheel andere wijze met den thalamus is verbonden als het occipitale gedeelte. Dit laatste maakt, behalve verbindingen met den thalamus, ook talrijke verbindingen met andere gedeelten van het caudaal ervan gelegen zenuwstelsel.

Sluiten