Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In elk der symmetrische afdeelingen van het diëncephalon kan men drie af deelingen onderscheiden:

1. den epithalamus.

2. den thalamus opticus.

3. de substantia grisea centralis rondom den derden ventrikel.

Wat den epithalamus aangaat, zoo is die naam ingevoerd door de vergelijkende anatomie. Eerst bij de zoogdieren vindt men een thalamus, die in verschillende kernen wordt onderverdeeld, van welke de meeste afhankelijk zijn van den, eerst bij zoogdieren aanwezigen als een uit zes cellagen opgebouwden, en in verschillende velden onderscheiden, mantel van het neo-pallium.

Bij lagere gewervelde dieren en bij vogels, die ondanks een zeer ontwikkeld striatum, nog geen zeslagig, in velden verdeeld neo-pallium bezitten, zijn de vertegenwoordigde elementen der thalamus-kernen van de zoogdieren nog geenszins volledig bekend.

Wel schijnt er al vroeg bij gewervelde dieren een in de eerste plaats van het rhinencephalon afhankelijk deel van het diëncephalon te worden gevonden, dat een deel uitmaakt van het tuberculum anterius der zoogdieren. Het vindt een plaats, frontaal en dorsaal van de andere thalamus-kernen. Bovendien hebben wij gezien, dat het dak van den 3den ventrikel aan zijn occipitale einde een eigenaardige klier draagt, die de namen conariurn, epiphyse, glandula pinealis of pijnappelklier draagt, welke zich ontwikkelt als een uitbochting van dit dak. Die klier is daarom nog niet gelijk te stellen met het z.g. parietale oog der voorwereldlijke hagedisachtige dieren. Wel is vastgesteld, dat dit parietale oog eveneens uit een uitbochting van het dak van den derden ventrikel is ontstaan, die als par-epiphyse bekend is en bij sommige nog levende reptiliën tot een rudimentair parietaal-oog uitgroeit. Deze beide uitbochtingen zijn derhalve in beteekenis geenszins aan elkander gelijk.

Maar de pijnappelklier hangt door de beide pedunculi conarii schijnbaar samen met den witten bundel, die langs den dorsalen rand van de substantia grisea centralis tot aan het tuberculum anterius doorloopt en als habenula of taenia thalami voortgaat.

Cartesius, die den zetel der psyche in de kamers zocht, kon dus de epiphyse nog vergelijken met iets dat tusschen psyche en lichaam instond, omdat deze klier, gelijk een koetsier met twee teugels — de habenulae — elk der beide hersenhelften vasthield.

Maar die meening berust toch op een anatomische dwaling. Want ventraal van de epiphyse ligt ter weerzijden het ganglion habenulae, eigenlijk uit twee celgroepen opgebouwd, die zoowel aan den pedunculus conarii als aan de habenula vezels toevoert.

Het rhinencephale aandeel van het tuberculum anterius, ganglion habenulae met de pedunculi conarii en de taenia thalami worden gezamenlijk onder den naam epithalamus beschreven. Onder dien naam worden zij van den eigenlijken thalamus opticus afgescheiden.

Wat de thalamus opticus aangaat, zoo is deze benaming het eerst gebruikt

Sluiten