Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een dergelijke voorstelling is zeker meer waarschijnlijk, dan wanneer men het een rol laat spelen bij het tot stand brengen der pupilreflexen.

Een orgaan, dat ondanks een verlies van de aanvoerende zintuigelijke indrukken, toch in die mate voortbestaat met slechts geringe regressie, gelijk het ganglion habenulae doet, moet wel een groote beteekenis hebben gehad voor de wording van principieele functies.

§ 2. De thalamus opticus. a. De normale thalamus bij konijnen.

Nadat onder den naam van epithalamus het tuberculum anterius ten deele, de taenia thalami en de nucleus habenulae in hun geheel zijn afgescheiden van de kernmassa's in het diëncephalon en een afzonderlijke bespreking hebben gevonden in de vorige paragraaf, wenden wij ons thans tot den thalamus opticus in engeren zin.

Onder dien naam is men gewoon een groot complex van kernen samen te vatten, die alle min of meer, maar toch in hoofdzaak afhankelijk zijn van het pallium cerebri.

Bijna al deze kernen zijn met de schors op dubbele wijze verbonden, zoowel door thalamo-corticale vezels als door cortico-thalamische vezels. Om die reden verdwijnen, 11a verwijdering der hersenschors, in die kernen zoowel de cellen, die er in aanwezig zijn, als de vezels die er binnen vallen. Zij vertoonen zich dan zonder cellen en vezels en zijn, zooals men dan zegt, volkomen te gronde gegaan.

Daarentegen zijn er ook in dit gebied kernen, die uitsluitend door vezels uit het pallium, gewoonlijk cortico-tectale vezels, worden voorzien, en geen thalamo-corticale vezels naar de schors uitzenden.

Na wegneming der hersenschors behoeven de cellen, die in zulke kernen worden aangetroffen, niet noodzakelijk te gronde te gaan en zij doen dat ook gewoonlijk niet.

Dit noopt ons in den thalamus kernen te onderscheiden, die, na schorsverwijdering, volkomen te gronde gaan en van kernen, die in dat geval geen of nauwelijks celveranderingen vertoonen.

Nadat vonMonakowin zijn baanbrekend werk van 1882 het onderzoek van den thalamus met behulp van de atrophie-methode had mogelijk gemaakt, hebben vele latere onderzoekers hun krachten aan de indeeling dezer kernen beproefd. Het gelukkigst zijn daarin geslaagd N i s s 1 en D' H o 1 1 a n d e r. Toch kan men nog geenszins zeggen, dat overeenstemming tusschen de verschillende schrijvers over alle punten, die dit onderwerp raken, verkregen is.

Beginnen wij dus met een beschrijving van deze groote menigte van kernen in de volgorde, waarin zij zich op transversale sneden voordoen, en beginnen wij tevens deze kernen bij het konijn te beschrijven, van welk dier de thalamus het best bekend is, maar vooral ook omdat zonder de kennis

Sluiten