Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geworden en getroffen is door zijn twee buitenste, meest oppervlakkige lagen.

De lamina grisea superficialis bestaat hoofdzakelijk uit kleine ronde cellen en de lamina medullaris superficialis bevat tusschen de daarin uitstralende vezels van de radiatio optica, enkele, verspreid daartusschen gelegen, grootere cellen.

De radiatio optica heeft dus thans een grooten omvang. Zij straalt voor een deel door de ventrale vlakte van den voorsten mesencephalen heuvel, gemengd met vezels uit den nucleus praebigeminalis, dien heuvel binnen. Voor een ander deel blijft deze straling in den latero-ventralen hoek van dien heuvel en geeft er voortdurend vezels aan af.

Maar terwijl zij tevoren ventraal-waarts overging in den tractus opticus, kan men daarvan hier niet langer spreken. Eigenlijk was dat ook al in fig. 693 het geval. Maar in dit vezelpraeparaat herkende men duidelijk de commissura van v o n G u d d e n, op het oogenblik, dat zij zich gereed maakt het zenuwstelsel binnen te stralen (fig. 693. c. Gu.). De commissura van v o n G u d d e n vormt daar dan de grens. Tot zoover reikt de radiatio optica.

In fig. 694 is echter de commissura van von Gudden niet zichtbaar. Die commissuur wijkt af in den nucleus geniculatus medialis en valt juist buiten het geteekende veld van fig. 694.

De nucleus geniculatus medialis is echter in vollen omvang in fig. 694 getroffen. Men herkent er in de grootcellige kern, met haar groote veelhoekige cellen (n. gen. med. b.), die op doorsnede bijna cirkelrond is. Voorts de kleincellige hoofdkern (n. gen. med. a), met ronde of pyramide-vormige, veel kleinere cellen. En eindelijk, de smalle spoelvormige kern (n. gen. med. c.), die het ganglion geniculatum mediale lateraal, ventraal en mediaal omvat. Deze kern heeft een laterale en een mediale aanzwelling, die nog zichtbaar zijn, teiwijl de smalle ventrale band ervan, buiten het veld der teekening valt. Zij bestaat uit middelgroote, slanke, spoelvormige cellen, die men lateraal van de grootcellige kern, alsook tusschen de kleincellige kern en den pes pedunculi waarneemt.

Van den nucleus geniculatus lateralis is slechts het meest caudale einde getroffen (n. gen. lat.).

Langs de twee geniculaire kernen ziet men de laatste rest van de radiatio ventralis thalami (ra. ve. th.), die tusschen deze kernen en de caudale rest van den nucleus ventralis thalami (n. ve.) doorstraalt naar den nucleus praebigeminalis (n. praeb.). Nadat het occipitale einde der laterale kern er in is overgegaan, blijft de ventrale straling over. De stria medullaris ventralis (str. med. ve.) draagt nog altijd de rest der ventrale kern, loopt echter ten einde en hangt samen met de fronto-dorsale straling uit de roode kern (n. ru.).

De roode kern vormt een machtig veld. Er is hier nog alleen het laterale en het dorso-mediale deel van getroffen, waarin enkele zeer groote zenuwcellen voorkomen, tusschen middelgroote en kleine cellen.

Lateraal van de roode kern wijkt de lemniscus in dorsale richting af en maakt zich gereed om in de lamina medullaris medialis van den voorsten heuvel te gaan.

WINKLER V. 7 rn

Sluiten