Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„The Proceedings of de Kon. Ak. van Wetenschappen. 1911. XIII. p. 914. A tumour in the pulvinar thalami optici. A contribution to the knowledge of the vision of forms."

Wetende, dat de hemianopsie somwijlen het syndróme thalamique vergezelt, hield ik den jongen man een sleutelring voor in het rechter gezichtsveld. Hij werd daar niet herkend, terwijl de herkenning ervan in het linker gezichtsveld onmiddellijk plaats vond. Ik besloot tot opname van den patiënt, maar verwees hem tot advies over zijn halfblindheid, vooraf naar de ophthalmologische kliniek. Stel U mijn verbazing voor, toen mij van daar het bericht bereikte, dat er mogelijkerwijze een neurologische hemianopsie kon bestaan, maar dat de oogarts nergens een gezichtsveldbeperking kon vinden, noch voor het licht, noch voor kleuren, noch voor bewegingen. Men had zich op de oogheelkundige kliniek vroolijk gemaakt over de domme neurologie.

Bij nader onderzoek bleek, dat de hemianoptische stoornis inderdaad van bijzonderen aard was. Uitknipsels van 20 cM. middellijn, gekleurd of ongekleurd, maar van verschillenden vorm als driehoeken, cirkels, ruiten, harten of vierkanten, werden rechts gezien, maar nergens in hun juisten vorm herkend. Werden zij in het linker gezichtsveld gegeven, dan werden zij regelmatig op ± 25° van het blikpunt af, in den juisten vorm waargenomen.

De neurologische hemianopsie bleek in dit geval een hemianopsie voor vormen te zijn en de oogarts kende die soort van hemianopsie niet.

Zoolang de jonge man leefde, veranderde het syndróme thalamique zeer weinig. Er bestond aan de distale einden der extremiteiten een geringe stoornis van de waarneming der aanraking, iets sterker voor die van pijn en warmte, met nagenoeg volkomen verlies van elke proprio-receptieve waarneming. Daarbij een volkomen astereognosie der rechter hand. Geleidelijk werden de bewegingen met de rechter ledematen meer onzeker. Zij werden tenslotte verlamd, maar de hemianopsie voor vormen bleef vrijwel onveranderd voortbestaan tot aan zijn dood. Neuritis optica werd niet waargenomen.

Toen in Mei 1909 plotseling en overwacht de dood intrad, werd een tumor van het pulvinar thalami gevonden, die den onderhoorn van den ventrikel opvulde, den thalamus naar voren drukte (zie Proceedings en Opera Omnia Bd. V. fig. 1—6) en ook in het achterste gedeelte over den thalamus heengroeide.

Teneinde een overzicht te geven van de uitbreiding van dit gezwel, is in fig. 717 de teekening afgebeeld van een snede, die ongeveer het midden er van treft.

Dan ziet men, dat de tumor het pulvinar geheel verwoest, den thalamus aan het achtereinde omvat, in de laterale en in de ventrale thalamus-kernen overgaat en zelfs een uitlooper door de regio subthalamica geeft, die tot in de roode kern doordringt.

Aan de ventrale zijde van dit gezwel vindt men evenwel volkomen intact den nucleus geniculatus lateralis. Niet alleen is deze kern volkomen onveranderd gebleven, maar ook het veld van Wernicke is ongedeerd (in deze doorsnede is dit driekant veld niet getroffen). Maar de banen, die er doorheen

Sluiten