Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loopen naar de laterale atdeeling der strata sagittaha (tig. 717. str. sag.j, hebben in het geheel niet geleden en evenmin de mergspaken der windingen rondom de fissura calcarina.

Het beschreven geval geeft dus een voorbeeld, hoe door een intacten nervus en een intacten tractns opticus een intacte nucleus geniculatus wordt bereikt. Ook deze kern is ongedeerd en zendt een eveneens ongedeerde geniculooccipitale straling uit naar de windingen rondom de fissura calcarina.

Inderdaad werd tijdens het leven ook geen spoor van stoornis gevonden in de waarneming van licht, van kleuren of van bewegingen in het aan deze kern gekruiste (rechter) gezichtsveld.

Desniettemin ontbrak er iets in de structuur van den nucleus geniculatus lateralis. Al de verbindingen dezer kern met den lemniscus en met den thalamus waren door het gezwel vernietigd, zoowel voor zoover zij direct op die kern afgaan, als voor zoover zij in het veld van Wernicke overgaan.

Het resultaat daarvan was, dat er een ernstig hemianoptische stoornis werd waargenomen. Ondanks het behoud der waarneming voor licht, kleuren en bewegingen, werden vormen in het rechter gezichtsveld volstrekt niet herkend, terwiji in het linker gezichtsveld, tot ^ 25° van het blikpunt af, de vormen onmiddellijk juist beoordeeld werden.

Deze lijder vertoonde dus, als men het zoo wil uitdrukken, de stoornis eener optische astereognosie in het rechter gezichtsveld. Evenals bij de astereognosie der hand, werden bij behouden zien van licht, kleur of bewegingen in dit gezichtsveld geen vormen herkend. Deze stoornis wordt evenzeer in den thalamus voorbereid, als dit met de astereognosie der hand het geval is. Zij ging er mee gepaard en zij is er ook ten nauwste mee verwant.

Vatten wij nu samen, wat ons deze waarnemingen van partieele verwoestingen in den thalamus hebben geleerd, dan is dit in de eerste plaats, dat wij kennis heb hen gemaakt met verweekingshaarden, die in den regel klein waren en alle ongeveer op gelijke plaats in het occipitale einde van den thalamus waren gelegen.

Dit is geen toeval. Het hangt samen met de bloedvoorziening in den thalamus, die wat het achtereinde betreft, is opgedragen aan basale arteries, welke van de arteria cerebri posterior ontspringen en loodrecht op den stam waaruit zij ontsprongen, de diepte ingaan. Een gedeelte dezer arteriolae gaan door de lamina perforata posterior heen naar den thalamus. Zij zijn ontsprongen uit dat deel der arteria cerebri posterior, dat tusschen de arteria basillaris en de arteria communicans posterior ligt en vormen de lilde hoofdgroep van basale slagaderen die Corning onderscheidt.

Een ander deel dezer basale arteries, C o r n i n g's IVde hoofdgroep, gaat lateraal van de arteria communicans posterior af, doorboort den hersensteel en den nucleus geniculatus lateralis en dringt zijdelings in den thalamus door.

Foix en Nic.olesco geven in fig. 235 van hun handboek een zeer

Sluiten