Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N i s s 1 had heel lang over de gevolgen van de doorsnijding der corona radiata voor den thalamus gewerkt. Als gewoonlijk kon deze zorgvuldige onderzoeker er niet toe besluiten zijn stuk te laten drukken. Toch had hij allerlei teekenmgen van den thalamus in handen gesteld van K ö 11 i k e r die deze teekeningen stellig niet juist heeft begrepen. Toen echter in 1913 Nis si's arbeid verscheen, bleek het duidelijk, dat Münzer en W i en e r s kern gedeeltelijk met den nucleus praebigeminalis identisch was. Ook het feit, dat de cellen in beide kernen, noch na doorsnijding der corona radiata, noch na schorsverwoesting tenietgaan, pleitte vóór die meening loch kon D' Hollander (1922) N i s s I's meening, dat die kern onafhankelijk van de schors was, bestrijden. Want zij ontving een groot aantal cortico-fugale vezels, volgens zijn meening, cortico-tectale vezels.

Hij meende in die kern, die hij nog tot den nucleus posterior blijft rekenen, een kern te zien. die wel door de schors beheerscht wordt, maar wier cellen geen axonen naar de schors toezenden. Hij ziet er een vooruitgeschoven mesencephalon, een praetectum in, maar ook een uitvoerkern van den thalamus.

In den allerjongsten tijd wordt door Posthumus Meyjes1) in zijn dissertatie (1932) deze kern wederom beschreven en bij het stelsel van den N. octavus ingedeeld. Op het voetspoor van M ü n z e r en W i e n e r noemt hij haar nucleus suprageniculatus, maakt er opmerkzaam op, dat die kern tal van vezels uit de schors ontvangt, maar dat de cellen, ondanks omvangrijke scliorsverwoestingen, in het geheel niet verdwijnen.

Het is dus allerminst in tegenspraak met de thans bekende experimenteele feiten, als men de onderstelling waagt, dat de cellen van dezen nucleus praebigeminalis of nucleus suprageniculatus, die er een deel van uitmaakt wier axonen niet gericht zijn naar de hersenschors, haar axonen zenden naar het mesencephalon en de roode kern, misschien zelfs wel naar den bind-arm, nucleus dentatus of cerebellaire hersenschors.

De waarneming van Dr.vanAndel staat dan ook volstrekt niet alleen.

Ik kan een soortgelijke waarneming meedeelen. Ook al zijn er omvangrijke verschillen tusschen de volgende waarneming en die van Dr. van Andel, toch pleit ook zij voor de waarschijnlijkheid, dat er in het achterste thalamusgedeelte een uitvoerend thalamus-gebied moet worden aangenomen.

De hersenen, waaraan die waarneming is ontleend, werden mij ter onderzoek gegeven door Dr. de Kleyn. Hij had ze van Prof. Güttigh uit Keulen ontvangen. Bij den drager ervan, een lijder aan een hersengezwel, had deze waargenomen, dat er normaal werd gehoord en alle reacties van den N. cochlearis geheel intact waren, maar tevens, dat de N. vestibularis der rechter zijde volkomen en die der linker zijde nagenoeg volkomen alle calorische prikkelbaarheid had verloren. Evenzoo ontbrak de draai-nystagmus en de galvanische nystagmus.

M F. E. Posthumus Meyjes. Experimenteel onderzoek omtrent de anatomie van het centrale acustisehe stelsel. Diss. Inaug. Utrecht. 1932.

Sluiten