Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een verbinding met den nucleus anterior thalami verkregen. Eindelijk gaan er vele vezels uit het tuber cinereum over in de regio subthalamica en in den nucleus subthalamicus. Van daaruit worden direct of indirect, door tusschenkomst van het veld van Forel, de achterste thalamus-kernen, d. w. z. de nuclei praebigeminalis, ventralis en lateralis thalami bereikt.

Er zijn dus nog verbindingen genoeg, door welke de thalamus kennis kan erlangen van hetgeen zich in de substantia grisea centralis afspeelt.

Wel is er nog slechts een begin gemaakt met de kennis van hetgeen daar gebeurt, maar toch wettigen de boven aangevoerde experimenten van Dr. Broers de onderstelling, dat zich daar belangrijke gebeurtenissen op het gebied der stofwisseling afspelen.

Er zijn omtrent deze substantia grisea nog een aantal andere gegevens van pathologischen en experimenteelen aard, die ons een inzicht beginnen te geven van hetgeen daar geschiedt voor de physiologie van den slaap.

Ik zal daarover slechts een kort overzicht geven. In een uiterst eenvoudig en helder geschreven boekje heeft eerst onlangs L'H ermitte (Le Sommeil. 1931. Armand Colin. Paris) den slaap behandeld en ik verwijs naar de daar opgegeven literatuur. Van klinisch standpunt heeft S. A. K i n n i e r W i 1s o n (The Narcolepsies. Brain. 1928. Vol. LI. p. 63) een voortreffelijk overzicht gegeven van de pathologische slaaptoestanden, die mede aanleiding zijn geworden tot de hervorming onzer inzichten over de physiologie van den slaap. Eveneens verwijs ik naar de debatten over den slaap in Parijs in 1927 (Revue de Neurologie. Bd. 34) en in Baden Baden in 1928 (Zentrbl. f. d. ges. Neur. u. Psych. B. 51. S. 231)

De eerste, die van een centrum voor den slaap in den wand van den derden ventrikel heeft gesproken, is Mauthner geweest (1890). Toch heeft R aphael Dubois (1896), bij zijn studie van den winterslaap bij marmotten, \oor de eerste maal een centrum in de substantia grisea centralis aangetoond (Le centre du sommeil. 1901. Société de Biologie. Vol. 3. p. 229).

In dien tijd werd vrij algemeen aangenomen, zij het dan niet zonder tegenspraak, dat de oorzaak moest worden gezocht in een intoxicatie van het zenuwstelsel. Ofschoon ook Dubois zich aan deze voorstelling aansloot, laakte zijn onderzoek vergeten. De winterslaap, die bij vele zoogdieren voorkomt, is echter niet onmiddellijk te vergelijken met den normalen slaap, al was het alleen, omdat de temperatuur bij den normalen slaap nooit zoo sterk daalt als bij de hibernatie.

Bovendien echter bezitten een aantal marmotten een zelfstandige, tusschen het vetweefsel van de borst in gelegen klier, de z.g. hibernatie-klier, die tijdens de periode van slaap wordt verbruikt en tijdens de lente en zomer weer wordt gevuld en opgebouwd.

Desniettemin is de slaap aan den winterslaap nauw verwant. C u s h i n g en G o e t s c h (1915) toonden aan, dat de lobus anterior van de hypophyse tijdens den winterslaap kleiner wordt. Tevens zagen zij, dat gelijk ook Ge-

Sluiten