Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(door sommige onderzoekers reeds eenigszins praematuur milthormonen genoemd), nog weinig profijt getrokken.

Het zou te ver voeren hier nader in te gaan op het groot aantal dierexperimenten, dat in den loop der tijden is verricht, om uit te maken, of de milt als een orgaan met inwendige afscheiding zou mogen worden opgevat. Bovendien hebben deze onderzoekingen, zooals hierboven werd aangeduid, nog geenszins eensluidende resultaten opgeleverd. Op het oogenblik kan dan ook slechts de remmende invloed van de milt op het beenmerg op klinisehe gronden althans waarschijnlijk worden geacht; het staat echter geenszins vast, dat dit proces zich door middel van een specifiek milthormon voltrekt.

Met een enkel woord mogen wij hier nog vermelden, op welk een ingenieuze wijze Lauda getracht heeft een bewijs voor een endocrine functie van de milt te geven.

Wanneer men bij ratten de milt wegneemt, ontwikkelt zich een snelle, progressieve anaemie, waaraan de dieren zoo goed als altijd overlijden. In de erythrocyten vindt men bij deze dieren eigenaardige vormsels, zg. bartonella's, waarschijnlijk een soort micro-organismen, al heeft men ze tot nu toe nog niet in cultuur kunnen brengen. Het blijkt evenwel, dat in de meeste laboratoria vrijwel alle ratten in meerdere of mindere mate met deze bartonella's zijn geïnfecteerd. Zoolang deze ratten nog in het bezit zijn van een milt, zijn ze blijkbaar resistent tegen de bartonella-infectie en vervullen deze vormsels de rol van eenvoudige saprophyten. Eerst de miltexstirpatie doet den weerstand zooveel verminderen, dat deze wezens zich kunnen vermeerderen en tot een doodelijke ziekte aanleiding geven. Lauda heeft nu twee ratten op dusdanige wijze met elkaar verbonden, dat zij een gemeenschappelijke buikholte hadden. Werd nu bij een dergelijken parabiose-tweeling, waarbij de beide partners dus slechts op humorale wijze met elkaar in verbinding stonden, de milt van één der dieren verwijderd, dan ontwikkelde zich bij dit dier geen bartonella-anaemie. Blijkbaar oefende dus een stof uit het tweede dier ook in het lichaam van het eerste zijn beschuttende functie. Terecht meende Lauda hierin een aanwijzing voor het bestaan van een humorale afscheiding door de milt te mogen zien.

Zijn medewerker Flaum heeft later op dergelijke wijze bewezen, dat bij wegnemen van de milt van één der parabiose ratten, het verschijnen der Jolly sche lichaampjes uitblijft; deze worden pas waarneembaar, nadat ook bij de tweede rat de milt is geëxstirpeerd.

Pfeifer en Bruda hebben gevonden, dat na milt-

Sluiten