Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de schildklier pleegt te blijven groeien tot omstreeks het 50ste jaar, zoodat volgens verschillende statistieken deze klier tusschen het 20ste en 30ste jaar kleiner is dan die van een 40 of 50 jarige. Mag men hieruit ook tot een geringer functioneeren gedurende de jeugd besluiten? Voor de grootte van de schildklier speelt de streek, waaruit het individu stamt, een bijzondere rol. Het gemiddelde gewicht in een land, waarin de krop endemisch is, is veel hooger dan in andere streken en gewichtsschommelingen hebben hier een geheel andere beteekenis.

Een grondig onderzoeker als Wegelin meent echter te kunnen zeggen, dat in Noord-Duitschland, waar practisch gesproken geen krop voorkomt, het normale gewicht van 28 g na het 50ste jaar tot 22.7 g daalt en op hoogen leeftijd zelfs terug kan gaan tot 10 g. Een moment, dat de zaak nog gecompliceerder maakt, is het met den leeftijd toenemende voorkomen van adenomen.

Ook schijnt zich een verschil in de geslachten hier kenbaar te maken m zooverre de schildklier van mannen na hun 60ste jaar — en dit geldt voor kroprijke zoowel als voor kropvrije streken — weer gewichtstoeneming zou vertoonen, voor welk feit men natuurlijk ook alweer een verklaring bij de hand heeft. Deze schijnt ons echter niet van groot belang, te meer daar door anderen de tijdelijke groei ook weer in twijfel wordt getrokken.

Voor den achteruitgang in de functie van de schildklier wordt ook het verminderde voorkomen van den lobus pyramidalis op ouderen leeftijd als oorzaak aangenomen. Terwijl deze bij kinderen in meer dan 80 % voorkomt, treft men hem bij volwassenen veel zeldzamer aan, terwijl hij bij mannen boven de 60 nog slechts in 30 %, bij vrouwen in 60 % wordt aangetroffen.

Bij dieren, paarden zoowel als schapen, is het gewichtsverlies met klimmenden ouderdom tamelijk zeker.

Wat leert het Mstologisch onderzoek?

In den beginne scheen dit een eenvoudige vraag. Bomeis gaf de volgende beschrijving: kleiner worden der follikels, toenemende groei van inter- en intralobulair bindweefsel. Volgens Clark, die op dit gebied zeer veel heeft gewerkt, kan het kleiner worden der follikels zeer ver gaan, ze verdwijnen gedeelteüjk en op sommige plaatsen vindt men ze opgehoopt en in strengen. De inhoud, het colloid zou als typisch ouderdomsverschijnsel verdikt zijn, daardoor de follikels volledig opvullen, zoodat zij ook met

Sluiten