Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet volkomen ronde schijf, waaruit de vezels strualswijze naai de peripherie heengingen. Yan de plaats af aan, waar de vezels zijn afgebroken, splijt zich, zoo als bekend is, de oppervlakte van de lens bij eene ligte drukking in drie segmenten (zulk eene splijting zou zelfs in het levende oog door zamengedrongen zonlicht, door middel van eene sterke lens, veroorzaakt worden (1)); elk segment wordt echter ook ligt verder in regelmatige deelen verdeeld, naarmate er zich secundaire openingen tusschen de vezels ook op andere plaatsen bevinden. Volgens Huschke (2) komen er bij het loetus en bij jonge kinderen drie van de pool uitgaande hoornen of spleten, zoowel op de voor- als op de achtervlakte, voor. Bij gevorderden ouderdom vormen er zich 10—13 bijkomende spleten. Naar elke spleet convergeren de vezels van de naar elkander toegekeerde randen van elke twee segmenten. Deze vorming van spleten stelt Huschke zich zoo voor, dat verscheidene naast elkan-

doorgaan, doordien geen van heidon alsdan in het middelpunt zouden liggen,

en dan kan er, wanneer de heide verticale schenkels in bovenstaande figuur kort en onduidelijk zijn. een beeld ontstaan als dat, hetwelk door Werneck is waargenomen. De hoeken der openingen zijn meestal even groot; dikwijls zijner slechts twee aan elkander gelijk, en de derde is kleiner ofgrooter; somtijds verschillen zij alle van elkander. De drieschenkelige spleet doet zich nu eens als eene fijne donkere lijn voor, dan weder is zij breeder en met eene lichte massa opgevuld, die zich, na behandeling met chromiumzuur, structuurloos of fijnkorrelig voordoet. Indien de opening breed is, dan vormen de vereenigingspunten der drie schenkels drie hoeken met concave randen ; binnen in de lens raken de middelpunten dezer driehoeken aan elkander, terwijl de van de hoeken van eiken driehoek uitgaande punten in het midden tusschen de 2 punten van den anderen driehoek vallen. De vezels ontstaan van de drieschenkelige figuur zoo, dat de laagste vezel van de eene oppervlakte der lens zich in het midden van den hoek tusschen de twee schenkels legt, en op de tegenovergestelde vlakte juist aan het einde van eenen schenkel van de spleet dezer oppervlakte raakt. De overige vezels verlaten, parallel met deze, de zijde eens schenkels onder eenen spitsen hoek, en raken op de tegenovergestelde zijde weder aan de zijde eens schenkels. (Verg. Canstatt's Jnhresbericht, 18iG, I, 54). Veht.

(1) e. H. Weber, Hiidemundt's Anat, I, 222.

(2) V. Ajimok'S Zeitschr. III, 22.

Sluiten